/** * */

SM U-20 torpedeert de "Lusitania"

(Verschil tussen bewerkingen)
Versie op 22 okt 2009 15:25
Lingekopf (Overleg | bijdragen)

← Previous diff
Huidige versie
Finnbar (Overleg | bijdragen)
link naar FEW topic toegevoegd
Regel 78: Regel 78:
==Literatuur== ==Literatuur==
-Marine-Archiv (red.): Der Krieg zur See 1914-1918. Der Handelskrieg mit U-Booten. Bearb. v. Arno Spindler ... 2. Bd.: Februar bis September 1915. Berlin: Mittler, 1933, p. 86-103.+Marine-Archiv (red.): Der Krieg zur See 1914-1918. Der Handelskrieg mit U-Booten. Bearb. v. Arno Spindler ... 2. Bd.: Februar bis September 1915. Berlin: Mittler, 1933, p. 86-103
 + 
 +==Links==
 +[http://www.forumeerstewereldoorlog.nl/viewtopic.php?t=4719&highlight=lusitania FEW Topic]
[[Categorie:Marine|U-20]] [[Categorie:Marine|U-20]]
[[Categorie:Onderzeebootoorlog]] [[Categorie:Onderzeebootoorlog]]

Huidige versie

Op 30 april 1915 verliet U 20, kapitein-luitenant Schwieger, de Eems met het volgende bevel, dat eveneens was bestemd voor U 27 en U 30, welke laatste reeds buitengaats was: "Grote Engelse troepentransporten verwacht uit Liverpool, het Kanaal van Bristol en Dartmouth. U 20 en U 27 moeten deze transporten aanvallen. Ze moeten daartoe de kortste route rond Schotland kiezen en de operaties uitvoeren zolang als mogelijk is. U 30 moet naar Dartmouth gaan. Ook koopvaardijschepen mogen niet worden ontzien." U 20 kreeg daarna van de 3de halfflotielje onderzeeboten opdracht positie te kiezen in de Liverpool-Bay.

Op 2 mei passeerde U 20 de doorvaart bij Fair Isle (tussen Shetland en de Orkney-Eilanden). De doorvaart bleek sterker bewaakt te worden dan verwacht, zodat 50 zeemijl lang onder water gevaren moest worden. 3 mei werd ten noordwesten van Ierland een torpedo, die miste, afgeschoten op een stoomschip dat de Deense vlag voerde, maar dat volgens een koopvaardijofficier aan boord van U 20 een Engels schip was. Tussen 5 en 7 mei volgde U 20 de scheepvaartroute langs de Ierse zuidkust in de richting van de Ierse Zee. Dikke nevels, die van tijd tot tijd optrokken, belemmerden het zicht bij zwakke wind en matige deining. Op 5 mei werd het Engelse zeilschip Earl of Lathom, 132 t, aangehouden en in de grond geboord. Die dag werd ook een torpedo, die eveneens miste, afgevuurd op een verdacht schip, dat de Noorse vlag voerde en plotseling uit de nevel tevoorschijn kwam.

De Lusitania verlaat de haven van New York voor haar laatste reis.
Enlarge
De Lusitania verlaat de haven van New York voor haar laatste reis.
Op 6 mei werd gepoogd een ongeïdentificeerd stoomschip aan te houden, waarop dit afdraaide. Het schip stopte pas na verscheidene granaattreffers en zette reddingsboten uit, waarna de opvarenden door een vissersboot aan boord werden genomen. Later op de dag werden door U 20 de Engelse stoomschepen Candidate, 5858 t en Centurion, 5945 t getorpedeerd. Maar door de dichte mist en de te verwachten intensieve patrouilles in de Ierse Zee besloot de commandant af te zien van de tocht naar Liverpool, ook al omdat er nog maar voor beperkte tijd brandstof aan boord was. Op 7 mei om 6 uur 's morgens dook U 20 op, nadat de nacht van 6 op 7 mei wegens dichte mist op 24 m diepte was doorgebracht. De mist wilde maar niet optrekken, er stond een zwakke noordenwind, slechts af en toe was het zicht iets beter en brak de zon even door. Daarom besloot commandant Schwieger om 10 uur 's morgens om de thuisreis te aanvaarden, om bij gunstig weer nog van uit het noorden de Ierse Zee binnen te dringen. Op dat moment was 40% van de brandstof verbruikt en waren er nog 3 torpedo's aan boord. Om 11 uur klaarde het op, toen U 20 door een naderend patrouilleschip genoodzaakt werd onder te duiken. Tegen de middag werd onder water het geluid van scheepsschroeven hoorbaar. Door de periscoop was een Engelse kruiser te zien, die in de richting van Queenstown verdween.

Om 13.45 uur was het prachtig weer bij een heldere lucht en U 20 vervolgde zijn thuisreis aan de oppervlakte. Kort daarna echter, om 14.20 uur kwamen in westelijke richting 4 schoorstenen en masten van een stoomschip in zicht, dat in zuidzuidwestelijke richting op de Ierse zuidkust aankoerste. Het leek om een groot passagiersschip te gaan. Om 14.25 uur dook U 20 onder en volgde met hoge vaart dezelfde route als het stoomschip, in de verwachting, dat dit zijn koers langs de Ierse kust naar het oosten, dus naar stuurboord, zou verleggen. Dat bleek zo te zijn; om 14.35 uur draaide het schip naar stuurboord en voer op Queenstown (plaats in Zuid-Ierland aan dezelfde inham die Cork met de zee verbindt) aan, zodat het precies in de baan van een torpedoschot leek te komen. Om 15 uur bereikte de onderzeeboot het punt waar het schip moest passeren en om 15.10 uur werd de torpedo afgevuurd.

In het journaal van U 20 tekende kapitein-luitenant Schwieger het volgende op:

"15.10 uur. Boegschot op 700 m onder hoek van 90 graden, geschatte snelheid 22 knopen. Schot treft stuurboordzijde dicht onder de brug. Er volgt een zware explosie met een enorme rookwolk die ver boven de voorste schoorsteen uitstijgt. De explosie van de torpedo moet nog door een tweede (van een ketel of kolen of kruit?) gevolgd zijn. De opbouw boven het punt waar de torpedo insloeg en de brug worden uit elkaar gereten, er ontstaat brand, de brug wordt in rook gehuld. Het schip stopt onmiddellijk en maakt grote slagzij naar stuurboord, terwijl het voorschip snel wegzinkt. Het ziet er naar uit, dat het spoedig zal kenteren. Er ontstaat grote verwarring, de reddingsboten worden in gereedheid gebracht en sommige daarvan te water gelaten. Er heerst paniek; boten vol mensen glijden in volle vaart naar beneden en komen met de boeg of met de achtersteven op het water terecht zodat ze direct zinken. Aan bakboordzijde komen door de slagzij minder boten los dan aan stuurboord. Stoomwolken ontsnappen sissend aan het schip; aan de voorsteven wordt de naam "Lusitania" in gouden letters zichtbaar. De schoorstenen waren zwartgeschilderd, er was geen hekvlag gehesen. De snelheid bedroeg 20 knopen. Daar het erop leek, dat het schip snel ten onder zou gaan, 24 m ondergedoken en naar zee gevaren. Ik zou trouwens geen tweede torpedo hebben kunnen afschieten op de mensenmassa die voor zijn leven vocht."

Toen om 16.15 uur een blik door de periscoop geworpen werd, waren in de verte alleen nog reddingsboten te zien. Spoedig hierna deed U 20 een aanval op een ander stoomschip zonder vlag, maar de torpedo miste zijn doel. Vermoedelijk ging het om het Engelse schip Narragansett, 9196 t. Deze middag was er druk scheepvaartverkeer bij de Ierse zuidkust. Om U 20 heen waren minstens 6 rookwolken zichtbaar, deels van zeer grote stoomschepen afkomstig. De commandant merkte daarbij op:

"De zee ten zuiden van Ierland, 30-50 zeemijl uit de kust leent zich uitstekend voor aanvallen op koopvaardijschepen. De schepen worden nauwelijks door torpedojagers beschermd en ze zullen minder verzet kunnen bieden dan wanneer ze in de nabijheid van havens of lichtschepen zijn."

U 20 kreeg geen gelegenheid meer om andere schepen aan te vallen en ging op huis aan. De laatste torpedo werd voor de thuisreis bewaard. Maar er gebeurde verder niets en op 13 mei liep de onderzeeër Wilhelmshaven binnen.

Van de 702 personen van de bemanning van de "Lusitania" – 30.396 t – zijn er 413, van de 1257 passagiers 785 omgekomen zodat 1198 mensen hun leven verloren. De ondergang van de "Lusitania" heeft daarom van alle gebeurtenissen tijdens de onderzeebootoorlog wel het meeste losgemaakt. Ontelbaar is het aantal berichten dat erover in de wereldpers, vooral de Engelstalige, is verschenen, en er zijn stapels boeken over gepubliceerd, zowel uit mededogen met de slachtoffers, van Duitse zijde niet minder dan elders, als uit stemmingmakerij, vol van feitelijke onjuistheden, veroorzaakt door onbekendheid met de politieke of militaire praktijk, of louter uit kwaadaardigheid.

Bij de ramp met het Engelse passagiersschip waren ook 120 Amerikaanse staatsburgers omgekomen. Op 9 mei stuurde de Duitse ambassadeur in Washington een telegram aan het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken:

"De ramp met de "Lusitania" heeft grote opwinding veroorzaakt, vooral in New York, maar ik hoop, dat ernstige gevolgen zullen uitblijven; president Wilson toont zich terughoudend. Ik adviseer u wel om enig blijk van medeleven met de nabestaanden te tonen, uiteraard zonder onze verantwoordelijkheid te erkennen."

Op 11 mei gaf de Duitse regering een verklaring uit aan alle neutrale staten inclusief de Verenigde Staten over het voorval. Daarin werd gesteld het verlies aan mensenlevens te betreuren, maar ook dat het de Engelse regering was die schuld droeg aan de noodlottige afloop van het gebeurde:

"De Duitse regering betreurt oprecht het verlies aan mensenlevens door de ondergang van de "Lusitania", maar wijst iedere verantwoordelijkheid hiervoor van de hand. Engeland heeft Duitsland door zijn politiek van uithongering tot vergeldingsmaatregelen gedwongen, en het Duitse aanbod, om de onderzeebootoorlog te beëindigen in ruil voor het opheffen van de blokkade, beantwoord door deze nog te verscherpen. (…) Het is de Duitse regering verder bekend, dat de "Lusitania" op haar laatste reizen steeds grote hoeveelheden oorlogsmateriaal verscheepte, ook omdat men meende dat de schepen van de Cunardlijn zoals de "Mauretania" door hun snelheid geen gevaar liepen. De "Lusitania" had op haar laatste reis 5400 kisten munitie aan boord, en ook de andere lading bestond grotendeels uit smokkelwaar. Voor het misbruik van de "Lusitania" heeft de Duitse ambassadeur in de Verenigde Staten, graaf Bernstorff, nog gewaarschuwd, maar van de zijde van de Cunardlijn en de Engelse pers werd deze waarschuwing weggehoond. Als Engeland de reizigers voorspiegelde dat er toereikende beveiligingsmaatregelen waren getroffen, terwijl het schip was blootgesteld aan vernietiging, dan komt het verlies aan mensenlevens, dat door de Duitse regering ten zeerste wordt betreurd, uitsluitend voor rekening van de Britse regering."

De ondergang van de "Lusitania" is tweemaal onderzocht door de overheid: in juni 1915 in Engeland en in 1918 in Amerika en daarbij bleek zonneklaar, dat er 5000 kisten met munitie aan boord waren, vlak bij de plek, waar het schip door de torpedo werd getroffen. Deze munitie is gelijktijdig met de torpedo geëxplodeerd waaruit ook de snelle ondergang van het schip valt te verklaren. Want alle stoomschepen, ook de kleinere, die tot dusver in de onderzeebootoorlog door een torpedo werden getroffen, bleven veel langer drijven, zodat er voldoende tijd was voor de opvarenden om zich in veiligheid te stellen. Veel schepen wisten ondanks een torpedotreffer nog een haven te bereiken. Er waren ruim voldoende reddingsboten aanwezig op de "Lusitania", maar de passagiers zijn tijdens de reis niet geïnstrueerd hoe in geval van nood te handelen. Zelfs in 20 minuten had bij de rustige zee van dat moment het aantal slachtoffers tot een minimum beperkt kunnen blijven, als het reddingswerk ordelijk was verlopen. Het is duidelijk dat de leiding van de "Lusitania" het gevaar in het oorlogsgebied niet serieus heeft genomen. Duitse veronderstellingen, dat het schip bewapend was, zijn evenwel onjuist gebleken.

De Amerikaanse regering zond op 13 mei een in scherpe bewoordingen gestelde nota naar Berlijn, die erop neerkwam, dat zij op grond van het volkenrecht het gebruik van onderzeeboten tegen koopvaardijschepen in geen enkel opzicht gerechtvaardigd achtte. Ze toonde zich verontwaardigd over de torpedering van het Engelse passagiersschip Falaba op 28 maart, waarbij een Amerikaans staatsburger omkwam, de luchtaanval op het Amerikaanse schip Cushing op 28 april en de torpedering van het Amerikaanse schip Gulflight op 1 mei, waarbij minstens twee Amerikanen de dood vonden. Voorts betreurde zij het, dat de Duitse ambassade in Washington gemeend had in de pers te moeten waarschuwen, dat Amerikanen, die een zeereis ondernemen, dat voor eigen risico doen, als zij zich in de zone begeven, waarin Duitse onderzeeboten een handelsoorlog tegen Engeland en Frankrijk voeren, omdat dit de Duitse verantwoordelijkheid voor calamiteiten geenszins wegneemt. (De advertentie was reeds op 24 april aangeboden, doch pas op de dag waarop de "Lusitania" uitvoer, 1 mei, geplaatst, zodat al spoedig de mare de ronde deed, dat de ambassade op de hoogte was het gevaar, dat het schip bedreigde). Bovendien had zij van de Duitse regering verwacht, dat deze de aanval op de "Lusitania" sterk zou veroordelen. De nota eindigde met het volgende dreigement:

"De Duitse regering kan er staat op maken, dat de regering van de Verenigde Staten niets zal nalaten, wat nodig is, om te voldoen aan haar heilige plicht, de rechten van de Verenigde Staten en haar burgers te handhaven en de vrije uitoefening daarvan te garanderen."

Op 28 mei antwoordde de Duitse regering, dat de aanval op de Amerikaanse schepen Cushing en Gulflight nader zou worden onderzocht, zo mogelijk door een internationale commissie, maar dat het nooit de bedoeling van Duitsland was geweest, om schepen van neutrale landen aan te vallen. De Fallaba was gesommeerd bij te draaien, maar had daar geen gevolg aan gegeven. Daarna had de Duitse commandant de bemanning alsnog ruim 20 minuten tijd gegeven het schip te verlaten en schoot de torpedo eerst af, toen verdachte vaartuigen het schip te hulp schenen te willen komen. Wat de "Lusitania" betreft had Duitsland al medeleven betoond aan de neutrale staten, die slachtoffers te betreuren hadden. Maar wellicht was de regering van de Verenigde Staten in verband met deze ramp het een en ander ontgaan. De "Lusitania" was door de Engelse admiraliteit als hulpkruiser geclassificeerd. Dit soort schepen is bewapend en bemand met personeel om het geschut te bedienen. (Hier vergiste de Duitse regering zich: op de "Lusitania" waren alleen geschutsstellingen aanwezig). Verder was haar gebleken, dat de Britse admiraliteit in februari de koopvaardij had geadviseerd haar schepen onder neutrale vlag te laten varen, of geen vlag te voeren. De Duitse regering had dus het volste recht, ook zogenaamd neutrale schepen te wantrouwen. Daar kwam nog bij, dat de "Lusitania" geregeld Canadese troepen en oorlogsmateriaal vervoerde, en op haar laatste reis niet minder dan 5400 kisten munitie aan boord had, die bestemd was voor oorlogsdoeleinden. De Engelse reder had dus kunnen weten, aan welke gevaren de opvarenden waren blootgesteld en heeft dus bewust het leven van de Amerikaanse passagiers op het spel gezet, in weerwil van de Amerikaanse wetgeving, die immers verbiedt passagiers aan boord te nemen van schepen, die explosief materiaal vervoeren. Uit het relaas van de commandant van U 20 kan geen andere conclusie worden getrokken, dan dat de snelle ondergang van het schip te wijten is aan het exploderen van de lading munitie na het torpedoschot. Anders hadden de passagiers menselijkerwijs gesproken op tijd gered kunnen worden. De nota besloot:

"De Duitse regering meent erop te mogen wijzen, dat zij van haar kant welwillend heeft gereageerd op de bemiddelingsvoorstellen, die de Amerikaanse regering in Berlijn en Londen heeft gedaan om te komen tot een modus vivendi met betrekking tot de zeeoorlog tussen Duitsland en Engeland. (…) De realisatie van deze voorstellen is, zoals bekend, gestrand op de afwijzende houding van de regering van Groot-Brittannië."

Maar ook binnen de Duitse overheid was er verschil van mening over de wijze, waarop de onderzeebootoorlog moest worden gevoerd. Zo schreef de rijkskanselier aan de chef van de marinestaf op 6 mei 1915:

"De onderzeebootoorlog maakt de laatste tijd steeds meer slachtoffers onder de opvarenden van neutrale schepen. Dit vertroebelt niet alleen onze goede relatie met de betrokken landen, maar kan ze ook in de armen van onze vijanden drijven. Door het torpederen van het Noorse stoomschip Belridge, het Nederlandse schip Katwijk, het Griekse Ellispontos en het Zweedse Ruth, raakten de gemoederen in die landen verhit en is het slechts met de grootste moeite gelukt, nog afgezien van de kosten die dat met zich meebracht, de betrekkingen te normaliseren. Begrijpelijkerwijs wordt er fel geprotesteerd, en de nota's worden steeds scherper van toon. Ik wens geen verantwoording te nemen voor een verdere verslechtering in onze relatie met neutrale staten. Ik sta er daarom op, dat verdere aanvallen van onze onderzeeboten op neutrale schepen onder alle omstandigheden worden voorkomen."

Daarop zond de chef van de marinestaf op 9 mei een telegram aan de kabinetschef in het hoofdkwartier van de marine:

"De rijkskanselier verlangt in de brief van 6 mei beëindiging van aanvallen door onderzeeboten op neutrale schepen. In onze nota aan de neutrale regeringen is uitdrukkelijk verklaard, dat wij niet kunnen garanderen, dat wij schepen, waarvan de neutraliteit niet kan worden vastgesteld, ongemoeid zullen laten. Hoewel in dezen uiterste zorgvuldigheid wordt betracht, kunnen wij de commandanten niet de handen binden. Dit zou betekenen, dat wij de onderzeebootoorlog zouden moeten opgeven. De kanselier overschat naar mijn mening de uitwerking die incidenten op neutrale staten zouden kunnen hebben. Een verdere beperking zou als zwakte kunnen worden opgevat met alle nadelige gevolgen van dien, ook naar de eigen bevolking, juist nu door het geval met de "Lusitania" de kracht van het onderzeebootwapen blijkt."

In overeenstemming met deze tekst luidde het antwoord van de chef marinestaf aan de rijkskanselier op 10 mei:

"Uwe excellentie heeft mij verzocht, erop toe te zien, dat verdere aanvallen door onderzeeboten op neutrale schepen achterwege blijven. Eerst wil ik opmerken, dat mij geen verdere aanvallen in bedoelde zin, bekend zijn. Die zouden trouwens toch niet binnenskamers gehouden kunnen worden. Het memorandum van het ministerie van Buitenlandse Zaken van 4 februari 1915 stelt uitdrukkelijk, dat ook neutrale schepen ten offer kunnen vallen aan een aanval, als ze als vijandelijke schepen worden beschouwd. De door de Engelse admiraliteit doorgevoerde maatregelen verhogen immers de kans op vergissing. Onze onderzeeboten hebben bij het begin van de onderzeebootoorlog door het bevel op 22 februari opdracht gekregen dat vooral het tot zinken brengen van Amerikaanse of Italiaanse schepen moet worden voorkomen. Op verzoek van uwe excellentie geldt dit sinds 18 april ook voor Nederlandse schepen. Deze restricties hebben de toch al moeilijke opdracht van de boten nog verzwaard en af en toe tot een onderbreking van de onderzeebootoorlog geleid, zonder dat dit de neutrale staten enige garantie op veiligheid bood. Als, zoals uwe excellentie stelt, de neutrale regeringen door hun diplomaten zich in steeds krachtiger bewoordingen uitlaten, dan is daar tegen in te brengen, dat ze de herhaaldelijke, nadrukkelijke Duitse waarschuwingen om zich niet in het oorlogsgebied te wagen, hebben genegeerd. De onderzeebootcommandanten nog verdere restricties op te leggen zou gelijkstaan met het beëindigen van de onderzeebootoorlog."

De kabinetschef van de marine, admiraal v. Müller, die door zijn functie geregeld in de nabijheid van de Duitse keizer verkeerde, werd eveneens in de discussie betrokken en schreef op 10 mei aan de chef van de marinestaf naar aanleiding van diens telegram van 9 mei:

"Zijne majesteit wenst, dat met het oog op de politieke situatie, waarvoor de rijkskanselier verantwoordelijk is, voorlopig, en tot nader order, het torpederen van neutrale schepen wordt vermeden. Het is beter een vijandelijk schip door te laten dan een neutraal schip te vernietigen. Persoonlijk acht ik het ontoelaatbaar, dat de marinestaf en de rijkskanselier tot een akkoord komen en dat zijne majesteit in een situatie wordt gebracht, om een besluit van de kanselier in een politiek zo gevoelige zaak als de onderzeebootoorlog nietig te verklaren. Ik heb de indruk, dat het onderzeeboten geregeld is gelukt de nationaliteit van de schepen vast te stellen en dat er de komende dagen een oplossing kan worden gevonden, om aan de bezwaren van de kanselier tegemoet te komen."

Half mei bleek de marinestaf, dat het ministerie van Buitenlandse Zaken, zonder de marine in te lichten, de Amerikaanse ambassadeur in Berlijn een rapport had overhandigd over de neutrale koopvaardijschepen, die bij vergissing door Duitse onderzeeërs waren aangevallen. Daarop schreef de chef van de marinestaf op 26 mei aan de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken:

"Ik mag uwe excellentie niet verhelen, dat ik dit rapport ten zeerste betreur. Een van de hoofdzaken van de verklaring van 4 februari was, de neutrale scheepvaart nadrukkelijk te wijzen op de gevaren voor het scheepvaartverkeer op de route naar Engeland. Dit was niet slechts geboden, om de druk op Engeland op te voeren, maar vooral ook, om conflicten met neutrale staten zoveel mogelijk uit te sluiten. Het aan de Amerikaanse ambassadeur aangeboden rapport spreekt alleen over maatregelen en verplichtingen onzerzijds, die vergaande beperkingen opleggen aan de onderzeebootoorlog. Daarmee wordt het beoogde effect van de waarschuwing teniet gedaan, zodat de neutrale scheepvaart nu in de handel met Engeland van alle materiële zorgen bevrijd is."

Het was dringend geboden om de eenheid te bewaren, nu er tussen de politieke en de maritieme leiding van de onderzeebootoorlog zulke tegenstellingen bleken te bestaan. De kanselier, v. Bethmann Hollweg riep op tot overleg, dat op 31 mei in Pless (plaats in Opper-Silezië, tegenwoordig Polen) plaatsvond. Aanwezig waren daarbij behalve de Duitse keizer, de rijkskanselier met gezant v. Treutler van Buitenlandse Zaken, grootadmiraal v. Tirpitz, admiraal Bachmann, admiraal v. Müller en de chef van de generale staf, generaal v. Falkenhayn.

Deze laatste vond dat de landoorlog niet toestond, dat door de onderzeebootoorlog neutrale staten de zijde van de vijand zouden kiezen. Tirpitz en Bachmann betoogden, dat de neutrale landen geen garanties kon worden gegeven; dan kon evengoed de onderzeebootoorlog beëindigd worden. De keizer was het daarmee eens; Bethmann Hollweg zou zich dan moeten verantwoorden, ook voor de stemming onder de bevolking.

Müller vond dat het de bedoeling van de politici niet kon zijn om de onderzeebootoorlog op te geven, maar dat het mogelijk moest zijn de onderzeeboten een opdracht te geven, die rekening hield met de politieke situatie. De keizer besloot het overleg, door de chef van de marinestaf op te dragen gezamenlijk met de kanselier een dergelijk bevel uit te vaardigen.

Dit was het op 1 juni volgende bevel aan de vloot en het corps mariniers:

"Zijne majesteit de keizer laat opnieuw nadrukkelijk op de noodzaak wijzen, tot nader order neutrale schepen tijdens de onderzeebootoorlog te ontzien. Verdere aanvallen op neutrale schepen zouden tot ernstige politieke verwikkelingen kunnen leiden, die onder de huidige omstandigheden moeten worden vermeden. Zijne majesteit de keizer legt de onderzeebootcommandanten de plicht op, niet aan te vallen, als zij er niet volledig van overtuigd zijn, of zij met een vijandelijk schip te maken hebben. In geval van twijfel is het beter een vijandelijk koopvaardijschip door te laten, dan een neutraal schip tot zinken te brengen. Er moet worden getracht, ook de onderzeeboten die zich buitengaats bevinden, hiervan op de hoogte te stellen."

Eerst na het overleg van 31 mei en na de verzending van het bevel op 1 juni uitte de rijkskanselier de wens, dat ook het tot zinken brengen van grote vijandelijke passagiersschepen, zoals de "Lusitania", vermeden zou moeten worden. Admiraal Bachmann was tegen, maar de kanselier dreef toch zijn zin door bij de keizer, zonder de admiraals erin te kennen. Op 5 juni berichtte de kabinetschef van de marine telegrafisch, dat de keizer ondanks de afwijzing van de chef van de marinestaf van oordeel was, dat de eis van de rijkskanselier in ieder geval gedurende de lopende onderhandelingen met Amerika moest worden ingewilligd, en dat het bevel van 1 juni daarmee onmiddellijk moest worden aangevuld.

Dezelfde dag tekenden de admiraals v. Tirpitz en Bachmann daar bij de keizer protest tegen aan met het argument, dat deze nieuwe restrictie in feite inhield dat de onderzeebootoorlog niets meer voorstelde; het bevel zou immers zowel bij de vijand, de neutralen, bij het eigen volk en bij de eigen marine als een gevaarlijk teken van zwakte worden beschouwd. Zij verklaarden daar geen verantwoording voor te willen dragen. Maar de keizer bleef bij zijn besluit, en op 6 juni werd een nieuw keizerlijk bevel aan vloot en het corps mariniers gegeven:

"Zijne majesteit de keizer heeft, in aanvulling op het bevel van 1 juni bevolen, dat tot nader order geen grote passagiersschepen, ook geen vijandelijke, tot zinken mogen worden gebracht. Zijne majesteit beveelt strikte geheimhouding van dit bevel; de militaire autoriteiten zijn daarvoor persoonlijk verantwoordelijk."

Grootadmiraal v. Tirpitz en admiraal Bachmann trokken daaruit hun conclusies, en dienden hun ontslag in. De keizer weigerde dit echter. De onenigheid binnen de leiding van de onderzeebootoorlog was tot een ontlading gekomen. De zakelijke en persoonlijke meningsverschillen waren groter dan ooit. In feite was daarmee een einde gekomen aan de eerste fase van de onderzeebootoorlog.

Literatuur

Marine-Archiv (red.): Der Krieg zur See 1914-1918. Der Handelskrieg mit U-Booten. Bearb. v. Arno Spindler ... 2. Bd.: Februar bis September 1915. Berlin: Mittler, 1933, p. 86-103

Links

FEW Topic

Personal tools