/** * */

10 cm Kanone in Schirmlafette (10 cm K.i.S.L.)

Inhoud

Genese

Toen de Duitse militiare planners inzagen dat de oude geschutstorens van het Gruson type verouderd waren, werd er een moderne geschutstoren voor een enkele 15 cm houwitzer ontworpen en in productie genomen: de 15 cm Haubitz-Panzerturm M 93. Nadat van deze laatste 12 stuks waren gebouwd bleek bij proefnemingen op een prototype dat deze onvoldoende beschermd waren tegen het modernste geschut. Daarom werden er nieuwe ontwerpen voor zwaarder gepantserde geschutskoepels voor 150mm houwitzers en 105mm kannonen gebouwd en getest. Toen Keizer Wilhelm II in 1895 een prototype voor een nieuwe, beter beschermde geschutstoren voor een 150mm houwitzer inspecteerde, beschermd door 30cm staal, vond hij dat deze toren veel te gecompliceerd, te zwaar beschermd en te duur was. Daarom greep hij persoonlijk in bij het ontwerp van een nieuwe geschutstoren.


De inspiratiebron van de keizer: Een kanon op een lichte kruiser (in dit geval Brits) beschermd door een schild. Merk op hoe bij dit type opstelling de bemanning weinig tot geen bescherming heeft.
Enlarge
De inspiratiebron van de keizer: Een kanon op een lichte kruiser (in dit geval Brits) beschermd door een schild. Merk op hoe bij dit type opstelling de bemanning weinig tot geen bescherming heeft.

Aangezien de keizer sterk geïnteresseerd was in zijn marine en goed op de hoogte van de ontwikkelingen daar, beval hij een geschutstoren te ontwerpen gebaseerd op de licht gepantserde marinekanons met geschutsschild. Deze werd gebaseerd op de geschutsopstellingen zoals deze vooral op lichte kruisers werden gebruikt. Wat goed genoeg beschermd was voor zijn geliefde marine zou toch ook goed genoeg moeten zijn voor de forten schijnt zijn logica geweest te zijn.

Het resultaat was het 10 cm Kanone in Schirmlafette. Deze geschutstoren was inderdaad een landuitvoering van de kanons en hun bescherming zoals die toenertijd op lichte kruisers stonden opgesteld. Wel werd als toegifte het pantser wat zwaarder uitgevoerd en werd het geschutschild van de marinemontering verder naar achter doorgetrokken en langs achter van een (dunner) pantser voorzien om toch een rondombeschermde geschutsopstelling te verkrijgen.

Beschrijving van de toren

Het is eigenlijk verkeerd om over een echte geschutstoren te praten bij de beschrijving van de 10 cm Kanone in Schirmlafette. Het gaat hier eerder om een op een vast affuit geplaatst kanon voorzien van een pantserschild dan om een echte geschutstoren.

Het 105mm kanon (nominaal 10 cm kanone genoemd, maar in werkelijkheid met een kaliber van 10,5cm.) stond opgesteld op een centrale pivot montering. Deze montering bestond uit een stalen sokkel die op een betonnen bedding stond. De stalen sokkel werd met lange bouten vastgevezen aan in het beton ingegegoten staalplaten. Op deze sokkel was er een draaikrans bevestigd die in 360° traverse had. Op deze draaikrans stond het kanon gemonteerd op een Vavasseur type montering.

Bij dit type montering staat het kanon gemonteerd op een bovenaffuit dat op een oplopend onderaffuit staat. Bij afvuren schuift het bovenaffuit naar achter en naar boven en wordt afgeremd door de wrijving en zwaartekracht. Om de remweg te verkorten werd er een hydraulische rem ingebouwd. Om het stuk sneller terug in batterij te trekken werd een veer of hydropneumatische recuperator gebruikt.


Sectie van een 10 cm kanon in Schirmlafette.
Enlarge
Sectie van een 10 cm kanon in Schirmlafette.

Het kanon werd beschermd door een schild dat ook op de draaikrans ruste. Dit schild was van sterk afgeronde vorm en slechts 8 cm dik. Aan de achterzijde werd het geheel afgesloten door een 4cm dikke staalplaat met daarin een grote deur die toegang tot de toren verleende en in actie meestal openstond. Deze "toren" beschermde enkel een klein gedeelte van het personeel dat het geschut bediende. De munitie werd gewoon aangevoerd in open lucht en door een deur achterin het schild aangereikt en geladen.

Beschrijving van de opstelling

Zoals reeds gezegd beschermde de toren enkel een klein gedeelte van het personeel dat het geschut bediende. De torens werden naast elkaar opgesteld achter een betonnen muur. De torens zelf werden geplaatst in een halfronde nis in deze muur. Deze betonnen nis beschermde ook de onderkant van het geschut aangezien het pantserschild niet diep genoeg reikte en geen bescherming tot op de bodem bood.

In de opstellingen van de Feste Kaiser Wilhelm II bevinden zicht tussen de torens bevonden bomvrije ruimten waarin de munitie werd opgeslagen. De munitie werd vanuit deze magazijnen via een venster doorgegeven naar de bemanning van het geschut. Onder de magazijnen bevond zich een benedenverdieping met alle nodige nutsvoorzieningen voor de batterij, gaande van slaapplaatsen voor de bemanning over keukens tot een lazaret. Alles werd uitgevoerd in ongewapend beton. Het was beter geweest om de magazijnen op de onderste verdieping van be bunker te plaatsen, doch dit werd niet gedaan omdat zo munitieliften en andere dure infrastruktuur kon vermeden worden. Een kuil achter de bunker zorgde ervoor dat de achtergevel van de onderste verdieping zich in de open lucht bevond. De onderste verdieping werd aldus verlucht en verlicht door vensters en werd bereikt via twee trappen in open lucht.

Een batterij bestond uit 3 of 4 naast elkaar opgestelde torens, met aan elk uiteinde van de batterij twee open en één lichtgepantserd observatorium van het type P.B.St (l.) (Panzerbeobachtingsstand leicht). Vanuit de observatoria konden orders naar de kanonnen worden gegeven met spreekbuizen.

In de opstellingen In de Festung Strassbourg was het type batterij helemaal anders en nog eenvoudiger uitgevoerd: De torens stonden weer achter een betonnen parapet maar zonder munitie- of manschappenruimten ertussen. Er was één grote munitieopslagplaats voorzien waar waarschijnlijk ook de bemanning indien nodig kon schuilen. Door deze opstelling werd de batterij compacter, eenvoudiger en nog goedkoper, maar de afstand tussen de munitieopslagplaats en de verste toren kon oplopen tot zo'n 40 meter en er waren geen voorzieningen voor de bemanning.

Hoe de opstellingen in de andere vestingen werd uitgevoerd is tot nu toe nog niet duidelijk.


Grondplan va de opstelling van 1 toren Schirmlafette met bijbehorende munitieruimten, typeopstelling van de batterijen van de Feste Kaiser Wilhelm II
Enlarge
Grondplan va de opstelling van 1 toren Schirmlafette met bijbehorende munitieruimten, typeopstelling van de batterijen van de Feste Kaiser Wilhelm II
Het geheel leek sterk op een batterij kustverdedigingsgeschut. per Batterij van 3 of 4 stuks geschut werd er, weer uit bezuiningingsoverwegingen, slechts één reserveloop voorzien.

Door de opstelling in betonnen nissen hadden de torens een effectieve traverse van ongeveer 150°. De toren kon weliswaar met een traverse van 360° vuren, doch dan moest hij na ieder schot weer zo gedraaid worden zodat de laders die achter de toren stonden, via de achterdeur van de toren het kanon konden laden, wat een zeer lage vuursnelheid tot gevolg had. De kanonnen konden vuren met een snelheid van maximun 9 schoten per minuut. Voor ieder kanon was er een voorraad van 250 brisantgranaten, 1700 schrapnels en 50 kartetsen voorzien.

Elke toren had een bemanning bestaande uit 1 stukskommandant en 6 kannoniers. Het is onduidelijk wie er in de toren zat, maar alle 7 konden ze er zeker niet in. Uit de diagrammen en moderne foto's waarop personen (gedeeltelijk) in de toren staan blijkt dat we enkel met zekerheid kunnen zeggen dat er in de toren hoogstens plaats was voor twee of drie personen die dan als sardienes op elkaar gepakt zaten. Het lijkt erop dat bij het vuren de deur achterin de toren gewoon openstond en de laders hurkend in de deuropening het kanon laadden met granaten die hen van buiten de toren werden aangereikt. Als de toren dan met een grotere traverse schoot dan de 150° die snelvuur toelieten, moest voor elk schot de achterdeur gesloten worden, het buiten de toren staand personeel zich verwijderen, de toren draaien in de gewenste richting, vuren en dan alles weer in omgekeerde volgorde uitvoeren.

Opstelling en rol van de batterijen

Keizer Wilhelm II accepteerde niet dat de batterijen, ontworpen naar zijn ideeën, verdekt in het terrein achter de eigen linies werden opgesteld. Hij vaardigde zelf de order uit dat de nieuw te bouwen batterijen in de voorste linies, voor de eigenlijke forten zelf moesten worden opgesteld. Hij redeneerde dat op deze manier de kanonnen in direct vuur konden gebruikt worden om een onverwachte bestorming af te slaan. Dit was wel waar, maar voor deze rol waren de torens en de batterijen in hun geheel veel te kwetsbaar (overigens werden er per stuk slechts 50 kartetsgranaten voor direct vuur op aanstormende infanterie voorzien, wat aangaf dat men deze rol niet serieus nam). Verder nam door de implanting vooraan een vesting de 10 cm I.S.L. de rol over van de kleine heftoren 6 cm Panzer Turm die specifiek ontworpen was voor de verdediging tegen infanterieaanvallen maar waaraan de keizer een hekel had (lees desbetreffend artikel) Ook redeneerde hij dat door de grote dracht van de kanonnen hun taak vooral bestond uit het vuren van ver op de vijand en deze reeds van zover mogelijk van het fort onder vuur te nemen en zo af te weren. Voor het afgeven van langeafstands stoorvuur op de naderende vijand was een opstelling van de torens binnenin de eigenlijke fortificatieperimeter, uit direct zicht van waarnemers van de vijand echter meer aangewezen. Dit zou de slechte bescherming van de torens en bemanning meer aanvaardbaar gemaakt hebben. Een bombardement door licht veldgeschut met schrapnels kon immers al het onbeschermde personeel van de toren en munitieaanvoer wegvagen. Iets zwaarder geschut kon gemakkelijk de boven het beton uitstekende dunne pantserplaten van de kanonnen zelf doorboren. Deze twee tegenstrijdige rollen aan de batterijen toegedeeld (direct vuur op korte afstand en indirect vuur op lange afstand) toont aan dat Keizer Wilhelm weinig of geen idee had dat deze twee rollen moeilijk in één type batterij of geschutstoren konden worden verenigd. (De Fransen slaagden hierin gedeeltelijk wel met hun Tourelle de 75 R Mle 1905 doch deze was van geavanceerder ontwerp, veel duurder en ook deze toren vormde een compromis en was niet zo geschikt voor interdictie op lange afstand door de korte dracht en lichte granaat)

Batterij met vier stuks 10 cm Kanone i.S.L. in de Feste Kaiser Wilhelm II, een indrukwekkend zicht, maar met vele zwakheden
Enlarge
Batterij met vier stuks 10 cm Kanone i.S.L. in de Feste Kaiser Wilhelm II, een indrukwekkend zicht, maar met vele zwakheden

Beoordeling

De torens staken te ver boven hun betonbescherming uit en waren zeer goed zichtbaar voor de vijand, vooral ook door hun implanting in de voorste vuurlinie. De bescherming was veel te licht, het maximum 8 cm dik staal bood hoogstens bescherming tegen treffers van licht veld geschut. Het zou beter zijn te stellen dat de torens enkel tegen grote splinters en schrapnels waren beschermd en zeker niet tegen voltreffers. Het grootste deel van de bediening en de aanvoer van munitie stond totaal onbeschermd in de open lucht. Daarentegen had het kanon een voor die tijd relatief grote dracht van 10800m.

Door de lineaire opstelling van de stukken geschut naast elkaar met munitiebunkers ertussen en niet erachter kreeg de batterij een enorme breedte: ongeveer 65 meter voor een batterij met 4 torens. Daardoor was deze moeilijk gunstig in het terrein te plaatsen en vormde bovendien een enorm doelwit. Beter ware het geweest elke kanon apart op te stellen voor een betere verspreiding en implanting het terrein. Indien de batterijen werden opgesteld uit de directe zichtslijn van de vijand en van ver af indirect vuur konden afgeven, was de splinterbescherming misschien voldoende geweest.

Ook was de afwezigheid van een voorpantser nefast. In plaats van een echt voorpantser was er slechts een parapet van ongewapend beton, wat onvoldoende bescherming tegen onderdoorschieten gaf.

Bij een oefening in en rond de Feste Kaiser Wilhelm II in 1910, werd er vastgesteld dat 2 van de 3 batterijen 10 cm Kanone in Schirmlafette die deze vesting bezat reeds op de eerste dag dat de vijand gericht vuur op de vesting kon afgeven zouden vernietigd worden. De derde batterij kon enkel wat langer overleven omdat deze niet direct zichtbaar was vanuit de verwachte aanvalsrichting, maar kon anderszijds door zijn inplanting moeilijk ingrijpen.

We kunnen dus enkel besluiten dat door de persoonlijk inmenging van Wilhelm II een zeer onbevredigend ontwerp werd gebouwd. Als economie de reden achter het ontwerp was, ware het beter geweest de bestaande 15 cm Haubitz-Panzerturm M 93 aangepast voor een 10,5 kanon in productie te nemen (de plannen voor zulke toren waren bijna klaar voor uitvoering) en deze in kleinere aantallen op te stellen.

Kostprijs

Aangezien het drukken van de prijs van een batterij één van de belangrijkste consideraties was geweest bij het ontwerp ervan, is het interessant de prijs van een batterij met 4 stuks 10 cm Kanone in Schirmlafette te vergelijken met beter beschermde batterijen:


  • Batterij met vier stuks 10 cm Kanone in Schirmlafette: 1 035 555 M.
  • Batterij met vier stuks 15 cm Haubitz-Panzerturm M 93: 1 322 000 M.
  • Batterij met vier stuks 10 cm Kanone in Panzer Turm: 2 364 000 M. (dit type batterij verving de batterijen met Schirmlafette)
  • Batterij met vier stuks 6 cm Panzer Turm 604 000 M. (dit type batterij was specifiek ontworpen voor korteafstandsverdediging tegen infanterieaanvallen)

Als we naar de prijs kijken zien we dat de Schirmlafettebatterij, ondanks al zijn nadelen slechts 30% goedkoper was dan de 15cm Haubitze batterijen waarvoor het een goedkoper alternatief moest zijn. Men had dus voor de zelfde prijs in plaats van een batterij met 4 stuks in schirmlafette een veel betere beschermde batterij met 3 stuks van het veel beter gepantserde 15 cm Haubitz-Panzerturm M 93 kunnen bouwen. Wel dient men op te merken dat deze laastste een veel korter bereik had. Een Batterij met vier stuks 10 cm in Panzer Turm die de batterijen in Schirmlafette verving bij de bouw van forten na 1898 was inderdaad 2 maal zo duur, maar technisch veel geavanceerder en veel beter beschermd. Maar de vraag kan dan opnieuw gesteld worden of een batterij van het laatste type met slechts 2 torens niet efficiënter was geweest in een fort dan 4 kwetsbare Schirmlafetten. Hierbij blijkt het hoe moeilijk het is te kiezen tussen kwaliteit (duur en weinig) en kwantiteit (goedkoop en veel) bij militaire programma's.

Het is ook interessant te kijken naar de kostprijs van de verschillende onderdelen van een batterij met 10 cm Kanone in Schirmlafette, zodat de lezer een idee krijgt welke onderdelen hoeveel kosten:

  • 4 Kanonnen: 70 000 M.
  • 1 Reserveloop: 17500 M.
  • 4 Pansteraffuiten (geschutstorens): 164 000 M.
  • Transport en montage van de geschutstorens: 40 000 M.
  • Munitieopslagruimten 70 000 M.
  • Onderkomens voor de bemanning en andere nutsvoorzieningen: 22 000 M.
  • Inbouwen van de kanonnen: 80 000 M.
  • Granaten (aankoop en transport): 572 000 M.

Hieruit blijkt verrassend genoeg dat bijna de helft van de kost van de batterij in de munitie alleen ging. Ook lijkt dit officiële kostenplaatje niet volledig te zijn, zo wordt er bijvoorbeeld geen melding gemaakt van terrasserings- en grondwerken, maar deze waren natuurlijk sterk afhankelijk van de plaatsing van de batterij en de ondergrond.

Gebruik

In 1898-1899 werden 46 torens van dit type geconstrueerd en opgesteld in de volgende gefortificeerde plaatsen:

Voor Metz werden later nog 2 batterijen met 6 stukken gepland, doch deze werden geschrapt ten voordele van beter beschermd geschut.

Personal tools