/** * */

Verdrag van Saint-Germain

Oostenrijk in 1910, bevolkingsdichtheid. De naoorlogse grens van Oostenrijk is met dikke lijn ingetekend (Naar Bowman, The New World, 1926).
Enlarge
Oostenrijk in 1910, bevolkingsdichtheid. De naoorlogse grens van Oostenrijk is met dikke lijn ingetekend (Naar Bowman, The New World, 1926).
Een van de vijf in voorsteden van Parijs gesloten verdragen die na de Eerste Wereldoorlog de oorlogstoestand tussen de Entente en de Centrale Mogendheden formeel beëindigden, was het te Saint-Germain-en-Laye op 10 sept. 1919 gesloten Verdrag van Saint-Germain met Oostenrijk, dat van kracht werd op 16 juli 1920.

De Oostenrijkse delegatie werd op 2 mei 1919 naar Saint-Germain-en-Laye uitgenodigd om de vredesvoorwaarden in ontvangst te nemen, die op 2 juni, overigens zonder de clausules betreffende Italië, herstelbetalingen en zaken van militaire aard, aan staatskanselier Renner werden overhandigd. Eerst op 2 sept. volgde de definitieve versie, die in afwijking van de vorige slechts volksraadplegingen in de omgeving van Klagenfurt en over de toekomst van Radkersburg en de gemeenten links van de rivier de Mur bij Stiermarken toestond. Het Oostenrijkse parlement ging op 6 sept. 1919 met 97 tegen 23 stemmen (van de voorstanders van aansluiting bij Duitsland) akkoord met het verdrag, maar onder protest tegen het verbod op zelfbeschikking en tegen de onderwerping van de 3½ miljoen Sudeten-Duitsers aan Tsjecho-Slowaaks gezag. Het verdrag werd 10 sept. 1919 ondertekend.

De geallieerden verdeelden Oostenrijk-Hongarije na de Eerste Wereldoorlog, indachtig het vredesplan van de Amerikaanse president Wilson, de zogenoemde "Veertien Punten", langs etnische lijnen door de vorming van de nieuwe staten Tsjecho-Slowakije, Polen en Zuidslavië, maar de achterliggende gedachte school niet zozeer in de erkenning van het recht op zelfbeschikking van de betrokken volkeren, maar veeleer in de ontmanteling van het Centraal-Europese Duits-Oostenrijkse machtsblok. Doch ook langs etnische lijnen waren de grenzen willekeurig getrokken. De Oostenrijkers hadden altijd minderheden binnen hun grenzen gehuisvest, maar de grenswijzingen leidden ertoe dat nu een deel van de bevolking zelf minderheid was geworden, voornamelijk in Tsjecho-Slowakije (Sudeten) en Italië (Zuid-Tirol).

Het verdrag stemde grotendeels, zowel letterlijk als naar de geest, overeen met het Verdrag van Versailles. De verliezen aan land en bevolking waren drastisch. Het Duitstalige Oostenrijk verloor bijna 40.000 km² met meer dan 3,87 miljoen inwoners, 1/3 van zijn grondgebied en bijna 2/5 van zijn bevolking. Duits-Bohemen (het Sudetenland), het Duitse deel van Oostenrijks Silezië en Moravië moesten worden afgestaan aan Tsjecho-Slowakije, het bekken van Marburg (Maribor) aan Zuidslavië. Het Duitstalige Zuid-Tirol kwam tot aan de Brenner bij Italië. Het zuidoostelijk deel van Karinthië bleef na een volksstemming bij Oostenrijk. Van Hongarije viel een deel van het Duitstalige westen, het Burgenland, na een volksraadpleging aan Oostenrijk zelf toe met uitzondering van de stad Ödenburg en omgeving. Nog dramatischer waren de verliezen voor Oostenrijk als geheel: 216.171 km² (dan ook nog Krain, Triest, Görz en Gradišca, Istrië, Bohemen, Moravië, Silezië, Galicië, de Boekowina, Dalmatië) met 22,15 miljoen inwoners (incl. anderstaligen). Voor deze gebiedsafscheidingen werden deels historische, deels economische en deels militaire motieven aangevoerd, maar ze waren allemaal in het nadeel van Oostenrijk. Voorts werd Oostenrijk verplicht de officiële naam "(Republiek) Oostenrijk" te voeren; de benaming "Duits Oostenrijk", waaraan het zelf de voorkeur gaf, werd verboden, evenals iedere poging zich bij Duitsland aan te sluiten.

Ook de herstelbetalingen waren hoog. Maar doordat Oostenrijk al vanaf 1922 financieel met door de Volkenbond verstrekte leningen op de been gehouden moest worden, kwam er van feitelijke betalingen niets terecht en kreeg het land steeds uitstel om ten slotte op een conferentie te Den Haag in 1930 van deze verplichtingen ontheven te worden. De herstelbetalingen voor de Donaumonarchie als geheel werden uitsluitend aan Oostenrijk (d.w.z. niet aan de nieuwgevormde staten) opgelegd. Deze beslissing was gebaseerd op de stelling, dat de Duitstalige Oostenrijkse bevolking voor de oorlogspolitiek van heel Oostenrijk-Hongarije verantwoordelijk was, terwijl de andere bevolkingsgroepen zich daartegen verzet hadden.

Het leger werd beperkt tot 30.000 man. In economisch opzicht verzekerde de Entente zich van opbrengsten uit belastingen, handel en verkeer. Evenals in het Verdrag van Versailles was er sprake van het uitleveren van "oorlogsmisdadigers" (art. 173-176) en de eenzijdige aansprakelijkheid van Oostenrijk en bondgenoten voor het ontketenen van de Wereldoorlog (art. 177).

Protesten uit alle lagen van de bevolking tegen de eenzijdigheid van het verdrag werden uiteraard door de geallieerden genegeerd.

Lit.: Ratzenhofer, G.: Der Friedensvertrag von Saint-Germain (1920).

Afkomstig van WO1Wiki NL, de Vrije Encyclopedie. "http://www.forumeerstewereldoorlog.nl/wiki/index.php/Verdrag_van_Saint-Germain"
Personal tools