/** * */

Slag bij Helgoland

De Slag bij Helgoland was een zeegevecht tussen Duitse en Britse eenheden tijdens de Eerste Wereldoorlog op 28 augustus 1914.

De Duitse vloot voerde onder het opperbevel van de admiraals Friedrich von Ingenohl (1857-1933) en Hugo von Pohl (1855-1916) in operationele zin een beleid, dat beslist conservatief genoemd mocht worden. Eerst in 1916, bij het aantreden van Reinhard Scheer kwam hierin verandering. Maar bij het begin van de oorlog waagden de Duitsers, die hun nieuwste oorlogsschepen in Wilhelmshaven koesterden (de oudere schepen lagen in Kiel), zich zelden buitengaats uit angst voor een directe confrontatie met de getalsmatig superieure Engelse vloot. Deze voorzichtigheid was mede ingegeven op aandringen van de Duitse keizer, die "zijn marine" (zoals hij zich graag uitdrukte), meer nog dan het leger, van harte was toegedaan. De Britten stelden zich eveneens terughoudend op, zich realiserend dat een aanval op Wilhelmshaven, gezien de sterkte van de Duitse vloot, de aanwezigheid van mijnenvelden in de Duitse bocht en de fortificaties van Helgoland en de Jadebaai een gewaagde onderneming was. Daarom trachtten ze met schijnaanvallen van lichte eenheden de Duitsers te verlokken naar buiten te komen en hen tot een gevecht te bewegen.

Iets dergelijks vond plaats eind augustus 1914. Commodore Keyes, die het bevel voerde over een in Harwich gestationeerde flottielje onderzeeboten, had het plan gelanceerd de Duitse voorposten in de Duitse Bocht met zijn vaartuigen weg te lokken en ze aan te vallen met twee door de kruisers Arethusa (3.560 t, 2 15-cm-kanons) en Fearless (3.500 t) aangevoerde torpedobootflottieljes die onder bevel van commodore Tyrwhitt stonden. Maar de coördinatie tussen de diverse onderdelen was dermate zwak, dat de onderneming op een ramp leek uit te lopen. Aanvankelijk had de admiraliteit Tyrwhitt twee slagkruisers ter ondersteuning toegezegd, maar kwam daar later van terug, om hem daarna, terwijl Tyrwhitt al was vertrokken, alsnog het eerste Britse pantserkruiser-eskader onder admiraal Sir David Beatty (Lion, Princess Royal en Queen Mary, alle drie 29.680 t, 8 34-cm-kanons), aangevuld met lichte kruisers en de slagkruisers Invincible (19.975 t, 8 30-cm-kanons) en New Zealand (22.080 t, 8 30-cm-kanons) na te sturen. Tyrwhitt zag ze tot zijn verbazing verschijnen. Ze ankerden 28 augustus 5.00 uur 's morgens 50 mijl ten noorden van Helgoland.

Niet slechts de onderlinge communicatie van de Britten liet te wensen over, ongecodeerde radioberichten hadden de Duitsers al op de hoogte gebracht van de vijandelijke plannen en deze zetten zeven lichte kruisers in om de Britten op te vangen. Intussen, om 7 uur 's morgens, lokten Keyes' onderzeeboten vijandelijke torpedoboten achter Helgoland vandaan. Tyrwhitt stoomde er met zijn flottieljes met hoge vaart op af en begon ze te beschieten, waarop de opponent afdraaide om de Britten op hun beurt naar de wachtende kruisers te leiden. Tyrwhitt volgde onmiddellijk, maar zijn vlaggenschip Arethusa werd door de Duitse kruisers Stettin (3.470 t) en Frauenlob (2.700 t) aangevallen en in brand geschoten. Toch wist Arethusa Frauenlob te treffen waarop de Duitse schepen om 8.25 uur naar Helgoland uitweken. Maar Tyrwhitt besefte, dat hij in een gevaarlijke situatie verkeerde en trok zijn flottieljes in westelijke richting terug.

Commodore Keyes, aan boord van torpedobootjager Lurcher (770 t) leiding gevend aan zijn onderzeeërs, zag in de ochtendnevels twee kruisers opdoemen die hij – niet ingelicht over de juiste positie van de eigen eenheden - voor vijandelijke schepen hield (in werkelijkheid ging het om twee kruisers van het eskader van commodore Goodenough dat door de admiraliteit was nagestuurd) en seinde naar Invincible dat hij zou trachten ze naar de slagkruiser te lokken. Goodenough zelf ving de signalen van Keyes ook op en kwam met zijn overige kruisers te hulp, maar Keyes zag ook deze schepen voor vijandelijke aan. Een broedermoord dreigde, tot Goodenough voelde dat er iets niet klopte en koers zette naar de Britse flottieljes in het westen, echter ook in de richting van de Engelse onderzeeërs, over de aanwezigheid waarvan hij niet geïnformeerd was. Even voor 9.00 uur zag Goodenough een vijandelijke onderzeeboot in zijn buurt opduiken (in werkelijkheid de Engelse E 6, kapitein-luitenant C.P. Talbot) en gaf opdracht deze te rammen, wat echter mislukte omdat de boot snel onderdook. Het onderzeebootgevaar voor de eigen schepen bleef echter bestaan.

Om 10.30 uur kwamen plotseling drie Duitse kruisers, Strassburg (4.550 t), Cöln (4.350 t) en Mainz (4.350 t) uit de mistflarden tevoorschijn en vielen Tyrwhitts kruisers Arethusa en Fearless aan, even later gevolgd door Stettin (3.470 t) en Stralsund (4.550 t), welke laatste na getroffen te zijn weer afdraaide. Een door Strassburg op Arethusa afgevuurde torpedo miste op een haar na. Maar elk moment konden zwaardere Duitse schepen verschijnen en om 11.00 uur riep Tyrwhitt Beatty te hulp. Deze aarzelde in te grijpen na door Goodenough, die zich bij hem had gevoegd, voor onderzeebootgevaar te zijn gewaarschuwd, en stuurde Goodenoughs kruisers naar Tyrwhitt ter assistentie. Dat bezegelde de ondergang van de Duitse kruiser Mainz, die al zwaar getroffen was door Brits vuur. Ze kapseisde en zonk.

Ondertussen sloten zich twee andere Duitse kruisers, Danzig (3.250 t) en Ariadne (2.650 t) aan en leken de Duitsers een overwicht te krijgen. Wederom klonken Britse noodkreten richting de dreadnoughts omdat men het uitlopen van de Duitse vloot vreesde. Na enige aarzeling besloot Beatty in te grijpen, mijnenvelden en onderzeeboten ten spijt, hopend dat de Duitse vloot niet tijdig onder stoom zou komen. Om 12.30 uur bereikte hij met zijn slagkruisers het strijdtoneel en opende met Lion het vuur uit de 34-cm-kanons. Cöln werd geraakt en draaide af, maar Beatty zette de achtervolging in. Ineens dook Ariadne op. Ze werd door Lion in brand geschoten en zonk. Cöln probeerde naar Wilhelmshaven te ontkomen. Lion vuurde opnieuw en trof de Duitse kruiser midscheeps, die in stukken uiteengereten werd, om 13.35 uur. Er werden geen overlevenden gevonden door de Engelse torpedobootjagers, die de zee afzochten.

De andere Duitse kruisers waren inmiddels in de mist verdwenen. Om 14.00 uur keerden Beatty's slagkruisers naar het noorden om de aftocht van de lichte strijdkrachten te dekken.

De Britten verloren 35, de Duitsers 712 man. 381 Duitse zeelieden werden krijgsgevangen gemaakt. Voorts gingen de kruisers Mainz, Cöln en Ariadne alsmede torpedoboot V 187 (656 t) verloren. Nog geruime tijd werd er discussie gevoerd over de vraag, waarom de geschutsbatterijen van de vesting Helgoland hadden gezwegen, terwijl de strijd zich toch in de buurt van dit eiland afspeelde, en waarom de Duitse vloot te lang had gewacht om in te grijpen.

Literatuur

  • Der Krieg zur See 1914-1918. Hrsg. v. Marine-Archiv. Der Krieg in der Nordsee. Bearb. v. O. Groos. 1. Band. Von Kriegsbeginn bis Anfang September 1914. Berlin: E.S. Mittler u. Sohn, 1920, p. 131-224.
  • Weyer, B.: Taschenbuch der Kriegsflotten. XVI. Jahrgang. München: J.F. Lehmann's Verlag, 1915.
Afkomstig van WO1Wiki NL, de Vrije Encyclopedie. "http://www.forumeerstewereldoorlog.nl/wiki/index.php/Slag_bij_Helgoland"
Personal tools