/** * */

Slag aan de Marne

Enlarge

Inhoud

Inleiding

De grootste drie veldslagen uit de Eerste Wereldoorlog waren de Slag aan de Marne (1914, ook 1ste Slag aan de Marne genoemd omdat daar in 1918 - zij het op iets bescheidener schaal - nogmaals slag werd geleverd, → Tweede Slag aan de Marne), de Slag bij Verdun en de Slag aan de Somme – beide laatste in 1916. Na de Slag aan de Marne zat het westelijk front onwrikbaar vast en in die zin is deze veldslag van beslissende betekenis geweest voor de afloop van de Wereldoorlog.

De Slag aan de Marne (de Marne is een rivier in Noord-Frankrijk, zijrivier van de Seine) tussen de Duitsers enerzijds en de Fransen en de Engelsen anderzijds duurde van 5 tot 12 september 1914 en wordt in Frankrijk door de onverwachte afloop (de Franse regering had Parijs al ijlings verlaten) ook wel "le miracle de la Marne" genoemd, maar door sommigen in Frankrijk ook als een gemiste kans beschouwd om de Duitsers vernietigend te verslaan.

Duitse opmars

De situatie was de volgende. In het westen zaten het 1ste, 2de, 3de, 4de en 5de Duitse leger de geallieerden na een succesvol begin van de veldtocht op de hielen en achtervolgden hen tot aan en over de Marne, terwijl de linkervleugel (het 6de en 7de Duitse leger) voor Nancy – Epinal pas op de plaats had gemaakt. De rechtervleugel was – in afwijking van het zogenoemde Plan-Schlieffen - door het onttrekken van troepen voor de belegering van Antwerpen en van Maubeuge (Frans-Belgische grens) en door de verplaatsing van twee legerkorpsen naar het oostelijke front aanmerkelijk verzwakt en daardoor voor de oorspronkelijk geplande omsluiting, westelijk van Parijs, niet sterk genoeg meer. Daarom probeerden de Duitsers op 2 sept. de geallieerden in een richting zuidoostelijk van Parijs weg te drukken, waarbij het 1ste Duitse leger (onder v. Kluck) aan de rechterzijde in echelons opgesteld, de bescherming van de flank moest overnemen. Dit was echter door de achtervolging van de reeds verslagen Engelsen het 2de Duitse leger (onder v. Bülow) al vooruitgesneld en had op 5 sept. met het IIde, IVde, IIIde en IXde korps de Grand Morin (zijrivier v.d. Marne) bij Coulommiers - Esternay overschreden.

Intussen had het Duitse opperbevel (O.H.L.) - sedert 30 aug. in Luxemburg gevestigd en in een situatie verkerend waarbij het contact met de westelijke vleugel te wensen overliet - berichten doorgekregen over grote geallieerde troepenconcentraties bij Parijs en wilde daarop op 5 sept. het 1ste en 2de Duitse leger aan twee zijden van de Marne een front tegen Parijs laten vormen, terwijl het 3de, 4de en 5de leger de achtervolging in zuidelijke en zuidoostelijke richting moesten voortzetten.

Bij de geallieerden waren de geleden verliezen en het voortdurend terugwijken voor de vijand hard aangekomen. Toch hield de Franse opperbevelhebber Joffre vast aan het plan voor een tegenaanval en op voorstel en aandringen van de gouverneur van Parijs, generaal Galliéni, die de positie van de Duitse rechtervleugel juist had ingeschat, beval hij op 5 sept. tussen Marne en Seine een front te vormen en de linkervleugel van het bij Parijs nieuwgevormde 6de Franse leger onder Maunoury, het 1ste Duitse leger zowel in de flank als in de rug aan te vallen, terwijl troepen uit de streek ten zuidwesten van Verdun naar het westen moesten oprukken, zodanig dat een dubbele omsingeling van de Duitse rechtervleugel uit Parijs en vanaf de Maas mogelijk werd.

Franse verdediging en retirade

Uit de opmars van het 6de Franse leger noordoostelijk van Parijs ontwikkelde zich de geïsoleerde strijd van het Duitse 1ste leger aan de Ourcq (zijrivier Marne), nadat generaal v. Gronau op 5 sept. om lucht te krijgen eigenmachtig opdracht had gegeven tot een aanval tegen de vijandelijke opmars door zijn uiterst rechts gepositioneerde IVde reservekorps en de 4de cavaleriedivisie. Daar hij op een overmacht stuitte, moest het IIde korps in een nachtelijke mars te hulp snellen, dan ook van 6 sept. tot 9 sept. 's morgens de andere korpsen van het 1ste leger die al in gevecht gewikkeld waren. Uit België en elders uit het frontgebied aangevoerde troepen werden ingezet om de Franse noordvleugel aan te pakken. Deze werd uitgeschakeld, zodat zich op de middag van 9 sept. een volledige Duitse overwinning leek af te tekenen. Er gaapte echter tussen het 1ste en 2de Duitse leger een kloof van ongeveer 40 km, die door de cavalerie en de zwakke infanterie onvoldoende kon worden gesloten, en intussen drongen de Engelsen en het Franse 5de leger langzaam op. De rechtervleugel van het Duitse 2de leger was in zwaar gevecht bij de Petit Morin (zijrivier Marne) en moest terugtrekken.

In het oosten het 2de leger volgend, was het 3de Duitse leger (v. Hausen) op een opening in het geallieerde front gestuit, maar had zich op bevel van v. Bülow, die daartoe door de O.H.L. was gemachtigd, en naar aanleiding van dringend verzoek door het 4de leger om bijstand, gesplitst. De rechtervleugel schakelde op 8 en 9 sept. samen met de linkervleugel van het 2de leger (Garde-Korps) het nieuwgevormde 9de Franse leger (onder Foch) bij La Fère–Champenoise uit. Verder oostwaarts streden het halve 3de, 4de en 5de Duitse leger tot 10 sept. aan de Marne bij Vitry-le-François en zuidelijk en oostelijk van de Argonne tot voorbij Verdun zonder een beslissing te kunnen forceren.

Duitse tegenslag

De chef-staf van het leger, kolonel-generaal v. Moltke, maakte zich ernstige zorgen over de bres tussen het 1ste en 2de leger en zond er op 8 sept. een officier van de generale staf, luitenant-kolonel Hentsch naar toe, zonder deze echter van duidelijke schriftelijke instructies of een omschrijving van diens volmachten te voorzien. Na een bezoek aan het 5de, 4de en 3de leger kwam Hentsch 's avonds bij het 2de leger aan. De opperbevelhebber daarvan, v. Bülow, beoordeelde de situatie als zeer zorgelijk en gevaarlijk. Hij was verontrust over de kritieke toestand waarin het 1ste leger kennelijk verkeerde en kon daarom ook niet instaan voor de veiligheid van de rechterflank van het 2de leger. Hentsch noemde de positie van het 1ste leger zelfs zeer hachelijk. Bülow zag de ernst van de situatie in: hij opperde een gezamenlijke terugtocht van het 1ste en 2de Duitse leger omdat sterke vijandelijke krachten via de ruimte tussen beide legers het 1ste leger in de rug zouden kunnen aanvallen.

Hentsch, die ervan overtuigd was, dat een terugtocht onontkoombaar was, begaf zich op 9 sept. bij het ochtendkrieken naar het 1ste Duitse leger, waar Kluck niets anders dan nieuws over de ophanden zijnde overwinning verwachtte. Hentsch adviseerde hem echter krachtens de hem door de O.H.L. verstrekte volmacht dringend het 1ste leger terug te trekken, erop wijzend dat het 2de leger geen stand kon houden en reeds voor de terugtocht was aangetreden.

Bülow, die 9 sept. 's morgens nog gehoopt had, het terugtrekken van zijn troepen toch nog te kunnen vermijden, beoordeelde op het bericht van het binnendringen van sterke vijandelijke krachten de toestand voor het 1ste leger als volstrekt onhoudbaar en besloot daarop 's middags tot de aftocht van het 2de leger. De verkeerde inschatting van de afgezant van de O.H.L. en de als gevolg van ontoereikende communicatie tussen de bevelhebbers van beide Duitse legers bestaande onduidelijkheid over het verloop van de strijd, maar vooral het volkomen miskennen van de eigen situatie, zowel van het 1ste Duitse leger als die van de geallieerden door v. Bülow leidden tot een terugtocht die niet nodig was, hoewel beide legers de kans op succes uiteindelijk nog in eigen hand hielden. De O.H.L. werd nu genoopt ook het 3de, 4de en 5de Duitse leger terug te trekken.

Het front loopt vast

Zowel de Duitse troepen zelf als die van de geallieerden waren verrast door de Duitse retirade. Op 12 sept. stond het 1ste Duitse leger bij Soissons, de rechtervleugel terugwijkend naar Noyon, achter de Aisne, het 2de Duitse leger bij Reims achter het Aisne-Oise-kanaal en de Vesle, terwijl het 3de, 4de en 5de leger terugtrokken naar een gebied dat tot de streek ten noorden van Verdun reikte. Tussen het 1ste en 2de leger rukte het gereorganiseerde 7de leger op 13 en 14 sept. nog juist op tijd bij de Chemin-des-Dames de opening binnen en kon het gat dichten. Tegen dit nieuwe front kwamen de opdringende Franse en Engelse troepen tot stilstand. Maar het Plan-Schlieffen had gefaald, en het verloop van de oorlog een nieuwe wending genomen.

Het aantal slachtoffers (gevallenen, gewonden en gevangenen) aan beide zijden wordt geschat op 250.000 man. Zie ook: Duitse legers in de Eerste Wereldoorlog (overzicht); Het verloop van de Eerste Wereldoorlog - 1914.

Lit.: Reichsarchiv [red.]: Der Weltkrieg 1914-1918. Die militärischen Operationen zu Lande, dl. I, III en IV (1925/26); Bose, Th. von / R. Dahlmann: Das Marnedrama 1914 (1928); Goutard, C.A.: La Marne, victoire inexploitée. Six semaines de guerre éclair (1968).

Afkomstig van WO1Wiki NL, de Vrije Encyclopedie. "http://www.forumeerstewereldoorlog.nl/wiki/index.php/Slag_aan_de_Marne"
Personal tools