/** * */

SM U-9 torpedeert Engelse kruiser Hawke (1914)

HMS Hawke
HMS Hawke

Inhoud

Inleiding

Half oktober 1914 had een aantal lichte Engelse kruisers, na een uitval naar de Doggersbank, positie gekozen tussen de Shetland-Eilanden en de Noorse kust, ten einde de bewaking van de noordelijke grenslijn van de handelsblokkade tegen Duitsland te versterken. Ongeveer in het midden van deze linie bevonden zich op onderlinge afstanden van 10 zeemijl vijf schepen van het 10de Engelse kruisersmaldeel, t.w. Edgar, Endymion, Theseus, Hawke en Grafton, terwijl Crescent, het vlaggeschip, naar de Schotse haven Cromarty was gevaren om te bunkeren. De schepen waren gewaarschuwd dat rekening moest worden gehouden met aanvallen door Duitse onderzeeërs. Zonder hulp van torpedoboten stonden ze door de geringe snelheid echter voor een zware opgave.

De U 9 komt eraan

De Duitse onderzeeboot SM U 9, onder commando van Kapitän-Luitnant Weddigen, beroemd (Duitsland) c.q. berucht (Engeland) door het torpederen van de Engelse kruisers Cressy, Hogue en Aboukir op 22 september 1914 (zie: artikel), die ter verkenning naar de noordelijke Noordzee was gestuurd, zou hun linie kruisen. Op 14 oktober 1914 kreeg deze in de invallende duisternis 60 zeemijl oostelijk van Peterhead verscheidene stoomschepen in zicht alsmede een vaartuig dat op een oorlogsschip leek. Weddigen besloot dit knooppunt van Engels scheepvaartverkeer te observeren. In het ochtendgloren van de volgende dag werden op slechts anderhalve zeemijl van de onderzeeër de vage contouren van een vaartuig zichtbaar, dat in de periscoop van de U 9, die onmiddellijk was ondergedoken, onmiskenbaar een Engelse kruiser was. Deze wisselde met passerende handelsschepen signalen uit, bleef echter voortdurend in beweging en veranderde zo dikwijls van koers en snelheid, dat alle aanvalspogingen bij voorbaat vergeefs waren. Van tijd tot tijd verscheen verder weg een tweede kruiser van hetzelfde type; af en toe raakten beide uit zicht.

Het doel komt in zicht

Tegen de middag schenen echter eerst twee, Hawke en Endymion en daarna nog een derde kruiser zich op een bepaald punt te groeperen. Toen zich spoedig daarop Hawke met hoge snelheid en zigzagkoers varend van de andere schepen verwijderde, ging Weddigen op dit schip af voor de beslissende aanval. Reeds leek het zeker, dat het schip een boegschot van de onderzeeër niet zou kunnen ontlopen, toen de Engelse kruiser plotseling 8 streken van koers veranderde.
Niet van de wijs gebracht door deze manoeuvre draaide Weddigen onmiddellijk met Hawke mee en vuurde om 11.53 uur v.m. de dodelijke torpedo af. Toen hij nauwelijks acht minuten na het schot door de periscoop keek, was het schip al gezonken. Alleen een kotter en een paar planken met schipbreukelingen dreven rond, die, zoals te zien was, later door een Noors stoomschip aan boord werden genomen. Daarentegen hadden de andere kruisers overeenkomstig de gedragsregels die na de ondergang van de Cressy en haar twee zusterschepen waren uitgevaardigd, onmiddellijk de wijk genomen en hun kameraden aan hun lot overgelaten.

verdere ontwikkelingen

Maar nog waren ze niet buiten gevaar, want zonder dat U 9 ervan op de hoogte was, stond SM U 17 (onder kapitein-luitenant Feldkirchner) toevallig maar een paar mijl ten noorden van de plek waar Hawke was ten onder gegaan. Om 13.35 uur kreeg de commandant van deze boot een vijandelijke kruiser (Theseus) in zicht, 2 streken aan stuurboord. Toen hij op 4000 m tot de aanval overging, draaide de tegenstander echter plotseling 8 streken weg. Snel voorwaarts varend, vuurde Feldkirchner onder een hoek van 60 graden een boegtorpedo af, maar nog voordat deze zijn doel bereikte, draaide de kruiser opnieuw af, zodat de torpedo voorbijschoot. Het schip vluchtte daarna met hoge snelheid uit de gevarenzone weg.

Zoals uit Naval Operations, deel I, p. 207 blijkt, waren Endymion en Hawke om 10.30 uur v.m. gestopt om post uit te wisselen. Ongeveer een uur later, toen Hawke bezig was met 12 of 13 knopen zijn positie in de verkenningslinie weer in te nemen volgde bij de voorste schoorsteen een ontploffing. Zo onverwacht kwam de aanval, dat de bemanning aanvankelijk geloofde dat het schip op een mijn was gelopen. Pas op het allerlaatste ogenblik had de commandant van de kruiser het torpedospoor opgemerkt. Slechts één boot met 3 officieren en 46 man kwam op tijd los van het zinkende schip, een tweede werd door het schip, dat kenterde, verpletterd.

Toen de melding van de aanvallen op Hawke en Theseus bij de Britse opperbevelhebber binnenkwam, beval deze ook de eskaders in de buurt onmiddellijk naar het noorden uit te wijken. Tegelijk zond hij de snelle flottieljeleider Swift met verscheidene torpedoboten naar de rampplek, om uit te zoeken wat er met de Hawke was gebeurd.

Intussen had U 17 (Feldkirchner) wegens problemen met het kompas zijn voorgenomen verkenningstocht naar de Fair-Island-Straat niet kunnen voortzetten en was uit de koers geraakt en terechtgekomen in de buurt van de plek waar Hawke was gezonken. Reeds op de avond van 15 oktober waren hierbij schoten gehoord, die achteraf gezien wel door de flottielje van Swift moesten zijn gelost. In de morgen van de 16de oktober kwamen deze schepen op de plaats van de ramp aan. Geen spoor verried aanvankelijk de juiste plek van de ondergang en eerst na twee uur ingespannen zoeken vonden ze een vlot met een officier en 20 man, die meer over het lot van de Hawke konden vertellen. Bijna 500 man waren met de kruiser ten onder gegaan. Onmiddellijk na de redding van de overlevenden volgde een aanval van U 17, die echter door de hoge snelheid van de Britten verijdeld werd, waarna U 17 op 23 m diepte onder de schepen doordook. Daarom meende men aan boord van Swift dat dit de onderzeeër moest zijn, die Hawke vernietigd had. Maar inmiddels was U 9 al doorgedrongen tot het steunpunt van de Grand Fleet.

Hawke (1891, 7.350 t) was 109,8 m lang, 20 zeemijl snel, voerde 2 23,4-, 10 15,2- en 12 5,7-cm kanons, had 2 torpedobuizen en een bezetting van 550 koppen.

Literatuur

  • Marine-Archiv (Hrsg.): Der Krieg zur See. Der Krieg in der Nordsee. Bearb. v. O. Groos. 2. Bd. Von Anfang September bis November 1914. Berlin: E.S. Mittler & Sohn, 1922, p. 175-178.
Personal tools