/** * */

Mortiers "Louis Philippe" type 1839

Oude bronzen mortieren model 1839 van 15 cm in gebruik nabij Verdun.
Enlarge
Oude bronzen mortieren model 1839 van 15 cm in gebruik nabij Verdun.


Gladloopsmortier 15 cm 1839 model
Gebouwd door: Verschillende Franse Staatsarsenalen
Bouwjaar: 1838 (eerste serie) - 1882 (tweede serie)
Gewicht geschut: 150 kg kg
Totale lengte:
Lengte loop: 0.30 m
Gewicht granaat: 7,5 tot 25 kg
Kaliber: 15 cm
Elevatiehoek: min 45° tot plus 90° (ongeveer)
Traverse: {{{traverse}}}
Vuursnelheid: 1 schot/ 2 minuten
Mondingssnelheid: 40 to 60 m/s
Bereik: 200 m (zwaarste granaat) tot 600m (lichtste granaat)
Gebruik: Frankrijk
Bijzonderheden: Basisontwerp gaat terug tot de 16de eeuw.


Dit waren mortieren van oud model, gladde voorladers in brons gegoten, met zeer korte loop (2 kalibers lang). De beschikbare kalibers waren 15cm, 22cm, 27cm, 32cm. Achteraan de loop was er een dwars-as waarmee het stuk op een gietijzeren affuit werd geplaatst. De elevatie werd door houten wiggen onder de loop gestoken ingesteld, de traverse door het hele ding te verschuiven in de gewenste richting. 101 stuks werden in een eerste fase gebouwd.

De 101 originele mortieren droegen nog het wapen van de laatste Franse koning (Louis-Philippe regering 1830-1848). Normaal verschoot deze massieve ijzeren ballen of primitive holle ijzeren granaten gevuld met buskruit en een lont als ontsteking.

Raar genoeg werden er in 1882 nog eens 600 stuks van de verschillende kalibers in order gegeven en gebouwd. De reden hiervoor is niet helemaal duidelijk. Wou men besparen door deze simpele, goedkope mortieren te gebruiken ? Was de bouwcapaciteit van moderne mortieren onvoldoende ? In ieder geval werden ze in de forten van het type Séré de Rivières opgesteld in bomvrije kazematten.

Tegen het begin van de eerste wereldoorlog waren ze over het algemeen verwijderd uit de forten en opgeslagen in depots, waar ze bijna door iedereen vergeten waren. In de centrale depots van de vier grote gefortificeerde plaatsen in oostelijk Frankrijk (Verdun, Toul, Epnal, Belfort) lagen er per fortenzone 40 in de depots. Het basisontwerp van deze ouderwetse mortieren ging terug tot in de zestiende eeuw. Niemand kon zich voorstellen dat zulke ouderwetse wapens nog zouden gebruikt worden.

Toen het Franse leger aan het begin van de stellingoorlog werd geconfronteerd met de Duitse minenwerfer, herinnerde iemand in de generale staf van het Franse vijfde leger dat deze mortieren nog ergens in opslag lagen, en misschien nog bruikbaar waren. Men was vooral geïnteresseerd in deze met een kaliber van 15 cm, de lichtste van deze mortieren. De vraag om deze mortieren werd overgemaakt aan Joffre eind september 1914. Deze wees het ministerie van oorlog op het feit dat de stellingenoorlog eigenlijk het karakter van een belegering had aangenomen en dat deze oude, ongebruikte wapens door de legers werden gevraagd om in te zetten. Eind oktober 1914 waren reeds 102 van deze mortieren uit de magazijnen gehaald en naar het front gebracht.

Men lijkt overwegend de lichtste mortier van 15 cm te hebben gebruikt, het model van 22 cm is zeker ook in beperkte mate ingezet. De twee zwaarste modellen van 27 en 32 cm duiken wel op op foto's doch van een daadwerkelijke inzet is tot nog toe niets bekend.

De 15 cm mortier kon in twee lasten gedragen worden: de loop van 70 kg en het affuit van 66 kg en kon aldus met mankracht tot in de voorste loopgraven gebracht worden. De gemonteerde mortier kon ook met enige moeite door twee personen verplaatst worden met twee houten palen zoals men een brancard draagt.

De oorspronkelijke munitie bestond uit holle sferische gietijzeren ballen gevuld met zwart kruit. De ontsteker van de mortierbom bestond uit een stuk lont dat werd ontstoken voor het afvuren. De aandrijflading bestond uit zwart kruit. Het bereik werd gevarieerd door de elevatie in te stellen en ook door de hoeveelheid kruit in de aandrijflading te variëren. Dit laatse was vrij moeilijk te doen in de vaak natte loopgraven: men moest immers letterlijk de juiste hoeveelheid buskruit in de mortier lepelen om vervolgens de bom in de loop te schuiven.

Een eerste verbetering bestond erin om de holle granaten met meligniet te vullen in plaats van zwart kruit. Dit had het voordeel stabieler te zijn, minder vochtgevoelig en het had meer explosieve kracht. Ook werd het zwart kruit voor de aandrijfladingen in zijden zakjes ingenaaid zodat het overlepelen van los kruit aan het front kon vermeden worden.

Naarmate de originele voorraad van granaten uitgeput geraakte, ging men over tot de fabricage van nieuwe granaten. Dit gebeurde echter niet op officiëel nationaal niveau, maar in de werkplaatsen van de verschillende legers zelf die deze oude doch nog nuttige wapens wilden verder gebruiken bij gebrek aan beter.

Deze nieuwe granaten waren meestal cylindrische bussen uit blik of dun plaatijzer die een explosieve lading bevatte. Een voorbeeld van deze geïmproviseerde granaten was de "bombe Nicole" beschikbaar in een gewicht van 5 of 10 kg. Deze bestond uit een cylinder van dun plaatzijer met een ronde houten afsluiting op de uiteinden. De lading van de bom van 10 kg was 6,5 kg cheddiet, wat een aanzienlijke uitwerking op het doel had. Het nadeel van deze cylindrische bommen, zonder enige vorm van stabilisatie, was dat ze in de vlucht tuimelden en dus zeer zelden het doel raakten.

Ondanks al deze nadelen werden deze mortieren intensief gebruikt in de openingsfasen van de stellingenoorlog aan het westelijk front. Zo verbruikte één legerkorps 28000 granaten op drie maanden.

De infanteristen keken eerst smalend op deze antieke stukken neer, maar leerden later de destructive kracht ervan te appreciëren.

Vanwege het grote aantal ongelukken met de geïmproviseerde munitie, gebruikt nadat de originele granaten opgebruikt waren, werden deze stukken vanaf september 1915 van de fronten weggehaald.

Personal tools