/** * */

Matériel de 220mm court modèle 1916


Matériel de 220mm court modèle 1916
Gebouwd door: Schneider
Bouwjaar: 1917-
Gewicht geschut: 7792 kg
Totale lengte: TEKST
Lengte loop: 2.26 m
Gewicht granaat: 100 kg
Kaliber: 220 mm
Elevatiehoek: plus 10° tot plus 65°
Traverse: {{{traverse}}}
Vuursnelheid: 2 schoten/minuut
Mondingssnelheid: 415 m/s
Bereik: 10800 m
Gebruik: door Frankrijk, België en Duitsland
Bijzonderheden:


Inhoud

Origine

Enlarge

In 1913 wou Rusland zijn artillerie moderniseren en bestelde hiervoor een hele reeks verschillende stukken geschut bij Schneider. Eén ervan de Mortier de van 9 duim (228.6mm) werd door het Franse leger in 1915 in productie genomen, op voorwaarde dat het op het standaardkaliber van 220mm werd vervaardigd. In tussentijd, tot de productie goed op gang kwam, leende men 203mm howitzers van de Engelse en gebruikte men de Mortier de 220 Modèle 1880 sur affût de circonstance Schneider (zie hiervoor artikel over de Mortier de 220 mle 1880 De Bange)

beschrijving

Het onderstel van de 220mm court mle 1916 leek sterk op een vergrote versie van dat van de Canon de 155 C modèle 1917. De loop stond op een terugslagrem. Het affuit bestond ter hoogte van de loop uit twee parallelle stalen platen, waartussen het stuk kon teruglopen bij het afvuren, wat de hoge elevatie mogelijk maakte. Op het staartstuk was een spoortje aangelegd om de granaten naar het kulas te voeren. Om de maximun elevatie te breiken moest er een kuil worden gegraven onder de plaats waar de loop terugliep bij vuren. Het vervoer gebeurde in één stuk, getrokken door een tractor. Doch de wielen waren vaak houten spaakwielen voorzien van massief rubberen banden doch de treksnelheid bleef beperkt tot 4 à 5 km/u.

Er bestond een bijna gelijkaardig Matériel de 220mm court modèle 1915. Het enige verschil waren de houten spaakwielen (12 spaken i.p.v. 14) en het feit dat de wielen met een stalen band omgord waren i.p.v. een rubberen. Hiervan werden er 40 gebouwd voor op het mle 1916 werd overgeschakeld.

gebruik

Het stuk was vooral populair om op loopgraven en andere installaties te vuren die aan de achterzijde van een helling lagen. Naarmate de oorlog vorderde ging de voorkeur van de Duitsers om op zijn minst de reservelinies en batterijen (de Duitsers waren grote gebruikers van krombaangeschut) en soms zelfs de voorste weerstandslinie op de achterkant van heuvels te leggen, waar mogelijk. Daar waren ze onzichtbaar, behalve voor vliegtuigen, voor de vijand en profiteerden ze van het relatief geringe aantal stukken steilbaangeschut (buiten loopgraafmortieren, die onvoldoende bereik hadden) met redelijk bereik vooral van de Fransen bij de geallieerden. Ook werd het zelf achter heuvelruggen, indien mogelijk, opgesteld om buiten het zicht van vijandelijke waarnemers te kunnen vuren. De mortier was nauwkeurig, doch het vervoer en in batterij brengen waren veel te traag.

Na de eerste wereldoorlog

Na de eerste wereldoorlog werden ze verder gebruikt als de standaard zware mortier bij het Franse leger. In 1940 waren er nog 376 stuks voorradig. De mortier werd na 1940 door het Duitse leger in gebruik genomen als de 22cm Mörser(b) en (f) en vanaf 1941 aan het oostfront ingezet. Daar werden ze vooral gebruikt om op statische stukken van het front zogenaamd "storingsvuur" af te geven, hierbij werden langdurig maar eerder langzaam granaten op de vijand afgeschoten, zodat deze het gevoel kreeg constant onder vuur te liggen. Daardoor werden de Duitse lopen en granaten gespaard voor de echte veldslagen.

Personal tools