/** * */

Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog

De Slag op het Merelveld (1389) in Kosovo, die van grote betekenis is voor de Servische identiteit, wordt in Servië nog steeds jaarlijks herdacht, en werd daar vooral na de Balkanoorlogen (1912/13) bijzonder uitbundig gevierd. Juist op deze dag, 28 juni 1914, werden de Oostenrijks-Hongaarse troonpretendent Franz Ferdinand (wiens plannen voor meer autonomie van de Slavische bevolkingsgroepen binnen de grenzen van Oostenrijk-Hongarije de in Belgrado gekoesterde droom van een Groot-Servië dreigden te verstoren) en zijn echtgenote door een Bosnische Serviër, Gavrilo Prinčip geheten, doodgeschoten. De moordenaar en zijn handlangers waren in Servië door officieren, zoals later bleek, bij het geheime verbond de Zwarte Hand van wapens voorzien en getraind in het gebruik daarvan. De Servische regering wist, dat de daders de grens hadden gepasseerd, maar stelde Oostenrijk daarvan slechts in zeer algemene bewoordingen op de hoogte.

Oostenrijk-Hongarije, dat zich reeds geruime tijd Servische agitaties had moeten laten welgevallen, en het Weense kabinet, minister van buitenlandse zaken Graaf Berchtold voorop, waren thans vastbesloten, aan deze toestand een eind te maken. Om zich eerst van de opstelling van Duitsland te vergewissen, werd Graaf Josef Hoyos naar Berlijn gezonden en overhandigde daar op 5 juli een memorandum en een brief van de Oostenrijkse keizer, waarin werd gesteld, dat Servië als "machtsfactor op de Balkan" moest worden uitgeschakeld; het uiteindelijke doel zou zijn te streven naar een geïsoleerd en kleiner Servië. De opzet van Berchtold, die hij voor de Duitsers echter verborgen hield, was stukken van Servië aan Macedonië en Bulgarije te geven (Albanië en Griekenland zouden ook wat krijgen). Zelf wenste Oostenrijk-Hongarije geen Servisch gebied, omdat de Hongaarse minister-president Tisza de verhouding tussen beider grondgebied wilde handhaven. De Duitse rijkskanselier Bethmann Hollweg, die er ten onrechte van uitging, dat Rusland, als men maar van een vastberaden houding blijk gaf, Servië net als in 1908 bij de crisis over Bosnië wel zou laten vallen, gaf Oostenrijk-Hongarije de vrije hand en de verzekering van militaire rugdekking.

Oostenrijk-Hongarije volgde evenwel het door Berlijn gegeven advies, snel tot handelen over te gaan voordat de woede over de moord zou zijn verflauwd en met Italië tot een akkoord over een aanval te komen, niet op. Pas na het vertrek van de Franse president Poincaré uit Rusland werd op 23 juli om 18.00 uur in Belgrado een zeer scherp Oostenrijks ultimatum, dat na 48 uur afliep, overhandigd; het eiste onmiddellijke beëindiging van de hetze tegen Oostenrijk, het ontbinden van de Narodna Odbrana (een aan de Zwarte Hand gelieerde, in 1908 bij de annexatie van Bosnië opgerichte Servische verzetsbeweging) en deelname van Oostenrijkse instanties aan het onderzoek naar het misdrijf en bij het optreden tegen Groot-Servische intriges.

De Servische regering leek daar in de loop van 24 juli akkoord mee te gaan. Maar Rusland kwam Servië te hulp en liet op 25 juli telegrafisch weten dat het niet voor de Oostenrijkse eisen moest zwichten; Servië kon op Russische steun rekenen. Servië antwoordde daarna diezelfde dag, even voor het aflopen van de termijn en vermoedelijk na overleg met Rusland en Frankrijk, aan Oostenrijk op de meeste eisen te willen ingaan, maar met zoveel slagen om de arm, dat er van toegeven nauwelijks sprake was. De Oostenrijks-Hongaarse gezant Giesl verklaarde dat het antwoord onbevredigend was en vertrok.

Tegelijkertijd begonnen de militaire voorbereidingen. Servië ging reeds drie uur voor het verstrijken van het ultimatum, waarschijnlijk op advies van Rusland, over tot mobilisatie. Oostenrijk-Hongarije mobiliseerde op 25 juli acht legerkorpsen. In Engeland had Churchill reeds op 24 juli de vloot samengetrokken. Rusland ging op 25 juli over tot voorbereiding van de mobilisatie, een voorfase van de eigenlijke mobilisatie, maar had al besloten ten strijde te trekken. Sir Edward Grey, de Britse minister van Buitenlandse Zaken, stelde topoverleg tussen de grootmachten voor of een Europese conferentie. Duitsland wees dit voorstel, dat de Russen tijd gaf te mobiliseren, van de hand, omdat men Oostenrijk-Hongarije in deze zaak, die slechts Oostenrijk-Hongarije en Servië aanging, niet voor een Europees gerechtshof moest brengen en een rechtstreeks contact tussen Wenen en St. Petersburg eerder voor de hand lag. Grey was het daarmee eens evenals met de bezetting van Belgrado als onderpand.

Om verdere inmenging van derden te voorkomen, verklaarde Oostenrijk-Hongarije op 28 juli 1914 Servië de oorlog. Op het bericht van de beschieting van Belgrado gaf de Russische tsaar op 29 juli officieel bevel tot de reeds in gang gezette mobilisatie; op de mondelinge voorstellen van de Duitse gezant Pourtalès en de telegrammen van de van een reis naar Noorwegen teruggekeerde Duitse keizer beval hij rond middernacht slechts mobilisatie tegen Oostenrijk, op aandringen van de oorlogsgezinden (chef van de generale staf Nikolai Janoesjkewitsj, minister van Oorlog Soechomlinov, grootvorst Nikolai Nikolajewitsj) en van minister Sasonov echter op 30 juli opnieuw een algemene mobilisatie. Daar Duitsland door een veel betere organisatie van het militaire apparaat zijn troepen veel eerder paraat kon hebben dan Rusland, wenste het de Russische mobilisatie niet af te wachten, waarmee de oorlog vrijwel definitief was geworden. Ruslands bondgenoten in de Triple Entente, Engeland en Frankrijk hadden geen pogingen ondernomen, om de Russische mobilisatie tegen te houden.

Nog niet duidelijk was de houding van de Engelsen. De hoop van Bethmann Hollweg op Engelse neutraliteit werd door berichten van de Duitse ambassadeur in Londen, prins Lichnowsky en een gesprek met de Engelse ambassadeur in Berlijn, Goschen op 29 juli 's avonds, wreed verstoord. Daarop dreigde de lange kanselier in een telegram aan v. Tschirschky, de Duitse ambassadeur in Wenen, het verbond met Oostenrijk op te zeggen, als de Oostenrijkers niet met Rusland om tafel gingen zitten ("Duitsland past ervoor zich door Wenen, dat de Duitse raadgevingen heeft genegeerd, in een wereldbrand te laten meeslepen"). Maar Tschirschky overhandigde het telegram niet, omdat Oostenrijk-Hongarije zich inmiddels bereid had verklaard tot overleg met de Russen. Doch daarvoor was het door de Russische mobilisatie al te laat.

Het Duitse mobilisatiebevel (1914)
Het Duitse mobilisatiebevel (1914)

Door een eerst na de Wereldoorlog bekend geworden telegram van de Duitse chef van de generale staf v. Moltke aan de Oostenrijkse stafchef baron Conrad v. Hötzendorf ( = achternaam) daartoe opgeroepen, mobiliseerde ook Oostenrijk-Hongarije op 31 juli zijn gezamenlijke strijdkrachten. Op het afkondigen van de Russische mobilisatie werd in Duitsland op 31 juli de oorlogstoestand uitgeroepen. Tegelijk eiste Duitsland op 31 juli middernacht in St. Petersburg door een ultimatum dat na 12 uur afliep het beëindigen van alle tegen Duitsland en Oostenrijk gerichte oorlogsmaatregelen en verklaarde, toen de Russen dit afwezen, op 1 augustus om 7 uur 's avonds Rusland de oorlog.

Ruslands bondgenoot Frankrijk was op het moment van het Duitse ultimatum aan Rusland gevraagd binnen 18 uur uitsluitsel te geven over zijn houding ingeval van een Russisch-Duitse oorlog, waarop Frankrijk antwoordde te zullen doen, wat het wenselijk achtte, een formulering, die in zijn vaagheid niets aan duidelijkheid te wensen overliet. Het had op dezelfde dag als Duitsland, op 1 augustus 's middags, de algehele mobilisatie bevolen. Daarop verklaarde Duitsland op 3 augustus om 18.00 uur Frankrijk de oorlog. De Duitse formele oorlogsverklaringen (op verzoek van de generale staf, die de vrije hand moest hebben voor militaire operaties) gelden als het voornaamste argument dat in de geschiedschrijving wordt gehanteerd voor de Duitse schuld aan het uitbreken van de oorlog.

Overeenkomstig het zogeheten Schlieffenplan eiste Duitsland daarna op 2 augustus van België vrije doortocht om Frankrijk te kunnen aanvallen met de verzekering alle schade volledig te zullen vergoeden. Deze onmogelijke eis werd zoals verwacht door België verworpen en de Belgen riepen diplomatieke hulp van Engeland in. Op 4 augustus trok Duitsland België binnen waarmee de oorlog realiteit was geworden. Deze schending van de Belgische neutraliteit was voor Engeland, welks minister van Buitenlandse Zaken Grey op het standpunt stond, dat Engeland in een Europese oorlog niet afzijdig kon blijven, aanleiding om Duitsland de oorlog te verklaren.

Italië verklaarde zich op 1 augustus, Roemenië op 4 augustus neutraal. Op 5 augustus verklaarde Montenegro de oorlog aan Oostenrijk-Hongarije. Japan eiste in een ultimatum van 17 augustus dat Duitsland zich uit Oost-Azië terugtrok; na de Duitse afwijzing hiervan werd ook hier de oorlogstoestand van kracht.

In totaal werden er 53 oorlogsverklaringen geproclameerd, waarvan 12 door de Centrale Mogendheden en 41 door de Geallieerden. In 7 gevallen (Dominicaanse Republiek, Bolivia, Griekenland (2x), Peru, Uruguay, Ecuador) werden de diplomatieke betrekkingen verbroken (wat door 4 landen: Bolivia, Ecuador, Peru en Uruguay in het Verdrag van Versailles als de staat van oorlog werd beschouwd).

Hiervóór: De oorzaken van de Eerste Wereldoorlog
Hierna: Het verloop van de Eerste Wereldoorlog - 1914


Literatuur

  • Reiners, Ludwig: The lamps went out in Europe. New York: Pantheon Books, 1955.
  • Remak, Joachim: Serajevo – The story of a political murder. New York: Criterion, 1959.
  • Thomson, George Malcolm: De laatste twaalf dagen van het oude Europa. Utrecht: Bruna, 1965, e.a.
Personal tools