/** * */

Het ontstaan van de Pre-Dreadnought

STUB: Dit artikel is een begin. Mogelijk wordt er nog aan gewerkt. Maar u mag er zelf ook relevante informatie aan toevoegen.

Inhoud

De eerste pantserschepen

De eerste pantserschepen waren gewoon gepantserde uitvoeringen van de toenmalige houten fregatten en linieschepen. Het eerste zeegaande pantserschip de Franse Gloire (1859) was gewoon een aanpassing van de romp van een houten stoomslagschip van de Le Napoleon (1848) klasse die van 114mm smeedijzeren pantserplaten werd voorzien. Door het gewicht van het pantser most de bewapening echter worden teruggebracht van 90 kanons over twee dekken verspreid tot 36 kanons op één dek opgesteld. Het Britse antwoord de Warrior (1860) was een veel geavanceerder ontwerp met een ijzeren romp, sneller, zeewaardiger en bijna twee maal zo zwaar (9000 ton tegenover 5600 ton).

100 tot 120 mm pantser was genoeg om alle tot dan toe gebruikte projectielen uit de zwaarste kanons tegen te houden, maar natuurlijk begon men al snel zwaardere kanons te gebruiken. Hierdoor moest het pantser van de schepen worden opgedreven, maar op ongeveer 10000 ton kon men maximaal ongeveer 130mm pantser voorzien over de volle romplengte.

Het antwoord was de beschermde lengte van de romp boven water (op het water werd normaal gezien bijna de gehele waterlijn beschermd door pantser) in te korten. Hierdoor kon men het pantser over de bewapening verdikken maar minder kanons voeren, doch de individuele kanons werden steeds zwaarder.

Zonder de lezer al te ver te voeren in de ontwikkeling van deze voor de eerste wereldoorlog van weinig belang zijnde schepen te voren is het interessant te kijken naar de Britse pantserschepen die werden omgebouwd uit houten linieschepen van de Bulwark (1859) klasse. Deze schepen hadden dus allemaal dezelfde romp maar het aantal kanons nam steeds af en het kaliber van de kanons nam toe samen met de dikte van het pantser: 114mm pantser (bewapening en romp) en 24 kanons van 178mm in de Prince Consort klasse schepen (1860), 152mm (bewapening, romp 114mm) pantser en 18 kanons van 229mm in de Royal Alfred (1867) tot 152 mm pantser (bewapening en romp) en 8 kanons van 203 mm (kleiner kaliber dan de voorgaande doch technisch geavanceerder en zwaarder) in de Repulse van 1870.

Divergentie in ontwerp

Na deze eerste pantserschepen (en al tijdens de ontwikkeling ervan) begonnen de mogelijke lay-outs van de schepen enorm te divergeren en kreeg men enorm uiteenlopende schepen. Meestal werden er slechts één of twee schepen van een type gebouwd en was het praktisch onmogelijk om in echte escaders pantserschepen te opereren: het ene schip was immers ontworpen om maximaal vuur op de brede zijde te geven, het andere schip om maximaal vuur over de boeg te geven, het ene schip geoptimaliseerd om op korte aftsand te vechten, het andere om op lange afstand (voor die tijd) te vechten, het volgende betrouwde vooral op zijn ram enz...

Ook de manier van het opstellen van de bewapening viel in drie grote groepen uit elkaar:

  • Schepen met centrale batterij: dit waren schepen waarin er centraal in de romp een gepantserde doos was ondergebracht waarin de bewapening stond opgesteld, met kanons in elke brede zijde. Schepen met een centrale batterij konden een hoge zeewaardige romp hebben, en hun bovendek was vrij van bewapening en kon dus gebruikt worden om er de gebruikelijke tuigage op aan te brengen van een zeilschip. Lees voor een uitgebreidere beschrijving van dit type schepen het artikel over de Turkse Messudieh
  • Schepen met geschutstorens: dit waren schepen waarin de bewapening (één of twee kanons per toren) in een zwaar gepantserde cylinder opgesteld stonden, die over een grote traverse kon draaien. Deze schepen konden met minder kanons meer hoeken met hun zwaarste geschut bestrijken. ook konden in de geschutstorens veel zwaardere kanons worden ondergebracht dan in een centrale batterij. Het nadeel was dat deze torens zeer zwaar waren en eigenlijk enkel (zonder zware compromissen te sluiten) op een schip met zeer lage vrijboord konden worden opgesteld. Door het lage vrijboord was het vrijwel onmogelijk om deze schepen van zeilen te voorzien en waren ze in de tijd van de primitieve machines die toen gebruikt werden sterk in hun actieraduis beperkt. Er werden wel pogingen gedaan om geschutstorens met zeilen te kombineren, maar de masten en het tuig van deze schepen beperkten de vuurhoeken van de geschutstorens enorm, en vaak waren ze instabiel. Een goede illustratie vormde de Britse Captain uit 1870. De ontwerper van dit schip (Coles) dacht dat hij een schip kon ontwerpen dat de zware geschutstorens kon kombineren met de betere zeekwaliteiten van batterijschepen met hoge vrijboord. Het schip verging samen met haar ontwerper op haar eerste zeereis in een storm.
  • Schepen met barbettes. Een barbette (in haar oorspronkelijke uitvoering) is een gepantserde ring waarboven het kanon gemonteerd is. Bedieningspersoneel van de barbette zit in de gepantserde ring en het kanon wordt om te laden op een hoge elevatie gezet waardoor de kulas in de ring kwam en met het vanachter het pantser kon herladen. Het nadeel van de barbette was dat het kanon slechts in één positie te laden was (en dus trager schoot dan een kanon in een geschutstoren) en dat de barbette over het algemeen slechts één dek hoog was, tussen de barbette en het romppantser was er een gat. Een granaat die hier explodeerde kon de hele barbette overboord werpen, ook hat het bedienend personeel geen enkele bedekking boven het hoofd. Daarentegen was een barbette relatief licht en kon hoog op een zeer zeewaardige romp geplaatst worden.

Nationale stijlen

Ieder land had zo zijn eigen behoeften voor schepen:

  • Frankrijk zou vooral opteren voor een combinatie van kanons opgesteld in barbettes en in een centrale batterij en bouwde schepen met hoge vrijboord die zeer zeewaardig waren. Ze waren door het grote volume van de romp echter slecht beschermd. Ze voerden zeilen en konden aldus op de open oceanen op Britse koopvaardij jacht maken.
  • Rusland had eigenlijk enkel schepen nodig met korte rijkwijdte (voor gebruik in de Zwarte Zee en de Oostzee) en bouwde (of kocht meestal) vooral schepen met geschutstorens.
  • Groot Britannië had zowel zwaar gepantserde schepen nodig voor gevechten in het kanaal en de Noordzee om zich te beschermen tegen een Franse invasie en bouwde een reeks schepen met geschutstorens daarvoor. Voor gebruik op de grote oceanen gebruikte het echter schepen met centrale batterij en zeilen. Ook bouwde het echter schepen met barbettes als tegenzet voor de Franse schepen.
  • Italië bouwde enkele zeer krachtige schepen met geschutstorens voor gebruik in de beperkte wateren van de middellandse zee, maar raar genoeg ook schepen met hoge romp en barbettes.
  • Duitsland en de Verenigde staten hadden in deze periode geen marine van betekenis.

De Britse "Naval Defence Act" van 1889 en het werk van William White

In 1889 was de Britse Marine een vreemd allegaartje. Doordat opeenvolgende regeringen en ontwerpers steeds andere soorten schepen bestelden, doordat men schepen voor heel uiteenlopende missies bouwde, en doordat men het niet eens kon worden wat het beste gebruik van gepantserde schepen was (kustaanval, aanvallen van de vijandelijke vloot in hun havens, kustverdediging, rammen, vechten in kiellinie, vechten over de boeg om een vijand te achtervolgen, Schepen meer geschikt voor lange cruises op de oceanen etc...) was de marine opgebouwd uit een vreemd allegaartje pantserschepen met zeer uiteenlopende karakteristieken.

Op die manier was het bijna onmogelijk om homogene eskaders te vormen van schepen die op ongeveer de zelfde manier vochten en dezelfde snelheid hadden.

In 1889 was het Britse parlement gealarmeerd. Door dit bonte allegaartje van schepen en de trage bouw van de grote schepen (door steeds weer van mening te veranderen wat de beste layout van de schepen was, werden er te weinig gebouwd en degenen die gebouwd werden bleven vaak heel lang in aanbouw) was de Britse suprematie ter zee in gevaar. De net als hoofdontwerper van de marine aangestelde 42 jaar oude William White stelde voor om 72 verouderde schepen te vervangen door nieuwe met een prijskaartje van 9 miljoen pond.

Het antwoord van de publieke opinie en de politici overtrof echter zijn verwachtingen. De analyse van de staat van de Britse vloot door White had een zodanige impact dat er bijna een paniek uitbrak in Groot Britannië. Men stelde de zogenaamde "two power" standaard op: de Britse marine moest even sterk zijn als de tweede grootste en derde grootste marine samen in aantallen schepen, maar bovendien moest elk Brits schip op zichzelf sterker en groter worden dan de beste buitenlandse schepen. White kreeg de opdracht om in 5 jaar tijd tussen 1889 en 1894 10 nieuwe slagschepen en 38 kruisers te bouwen met een budget van maar liefst 21 miljoen pond.

White kreeg nu bevoegdheid to verregaande hervormingen en door de grote fondsen beschikbaar om de modernste technologieën te verenigen in uiterst vernieuwende oorlogsschepen.

De Royal Sovereign klasse van 1889

White ging uit van de volgende premissen voor zijn eerste klasse slagschepen, de Royal Sovereign klasse van 1889 (zeven schepen en één halfzuster):

Door het gebruik van moderne, zuiniger machinerie (triple expansie) kon men eindelijk definitief de zeilen opgeven.

Door verbeterde technologie van zware kanons kon hij gebruik maken van lichtere stukken (35 ton tegenover 110 ton per stuk hoofdbewapening voorheen) die toch een beter doordringend vermogen hadden.

White stelde de kanons op in barbettes, doch in plaats van de ondiepe gepantserde ringen van de voorgaande schepen maakte hij deze pantserringen nu zo diep dat ze tot op het hoofdpantserdek reikten. Aldus werd het onderdoorschieten van de barbette onmogelijk, werd de aanvoer van munitie uit de benedendekse magazijnen veel beter beschermd en kwam er meer ruimte vrij om gemechaniseerde laadapparatuur voor de kanons. Er werd voor de optimale opstelling gekozen voor schepen die in kiellinie vochten: twee kanons in een barbette vooraan en twee achteraan, voor een brede zijde van 4 kanons. Uit oefeningen was immers gebleken dat het vechten in kiellinie veruit de meest efficiënte methode was voor een groot eskader. Door het gebruik van barbettes in plaats van geschutstorens konden de kanons veel hoger en letterlijk droger worden opgesteld (Later zouden deze barbettemonteringen evolueren naar de moderne geschutstoren door het toevoegen van een roterende gepantserde kap over de kanons)

White was zich bewust van de ontwikkeling van de zogenaamde snelvuurkanons en hun potentieel. Naast de hoofdbewapening bracht hij 10 snelvuurkanons van 15,2 cm aan in de brede zijde tussen de hoofdbewapening. hun doel was door een spervuur de ongepantserde delen van een vijandelijk oorlogsschip te vernietigen.

Door het grote aantal kredieten dat White ter beschikking had samen met de eis dat de individuele Britse schepen sterker moesten zijn dan de buitenlandse schepen, kon hij zijn schepen groter maken dan voorheen: in plaats van 10 000 ton van de voorgaande Admiral klasse en de 12 000 ton van de tussenliggende Trafalgar klasse (die voorheen werden bekritiseerd als zijdne te groot en duur), werden de Royal Sovereign's ongeveer 15 000 ton zwaar. Hierdoor kon hij grotere zeewaardigere rompen bouwen met hoge vrijboord en hadden de schepen genoeg drijfvermogen voor een goed pantser en om veel kolen voor lange reizen te maken.

White was zich ook bewust van het belang van eskaders van gelijkaardige schepen die gemakkelijk tesamen in een taktische eenheid konden opereren. Hij was zich ten zeerste bewust dat de beschikbare technologie zeer snel evolueerde (zo was er reeds beter pantsermateriaal in zicht en ook betere kanons) maar stond erop dat 7 schepen volgens hetzelfde ontwerp werden gebouwd, die een homogeen, machtig escader konden vormen.

Onder politieke druk van een invoedrijk admiraal die torens boven barbettes verkoos, moest White echter het 8ste schip met het hoofdgeschut in geschutstorens bouwen. Dit schip de Hood(1889) Droeg toevallig de familienaam van deze invloedrijke admiraal, doch zogezegd een verwijzing naar een vroegere bekende admiraal Hood, hoewel niemand nog steeds niet weet welke van de vele admiraals met naam Hood het was. de officiële verklaring was dat het schip genoemd was ter ere van de verscheidene admiraals die deze naam droegen (en bij uitbreiding dus ook naar de invloedrijke opdrachtgever)

Deze Hood was een halfzusterschip van de Royal Sovereign's en was gelijk op het feit na dat de uiteinden van de romp veel lager moesten worden gemaakt om de veel zwaardere geschutstorens te dragen. Dit schip bleek in dienst sterk inferieur aan de barbetteschepen en werd reeds snel naar de Middellandse zee met haar rustiger wateren verplaatst. Het was vooral een bewijs dat White juist had gekozen voor de opstelling van kanons in barbettes en de bijbehorende hoge vrijboord.

Het ontwerp van de zeven schepen van de Royal Sovereign klasse vormden de basis voor alle Britse slagschepen tot 1904. Hoewel door de voortschrijdende techonologie de volgende klassen steeds verbeterd werden (de grootse sprong vooruit zou gemaakt worden met de Britse 'Majestic' klasse van 1894 waarin vele nieuwe technologiëen werden verwerkt), was het basisrecept steeds hetzelfde voor Britse slagschepen. Uiteindelijk zouden 48 schepen volgens dit basisontwerp voor de Britse marine gebouwd worden (en 6 kopies voor Japan), de trots van de Victoriaanse marine. Na eerst 3 tweede klasse schepen te moeten bouwen (zie volgende paragraaf) volgde in 1894 de Britse 'Majestic' klasse die in vele opzichten het hoogtepunt van de toenmalige marine technologie vormde en bijna even revolutionair was als de latere Dreadnought, het meesterwerk van White die in bijna alle marines zou worden nagevolgd met de Dreadnought revolutie.

Deze schepen werden als eerste systematisch met de de generieke term Slagschip aangeduid. Hoewel de term slagschip al veel langer bestond had men het voorheen over "linieschepen", "pantserschepen", "barbetteschepen", "torenschepen", "centrale batterij schepen", "Ramschepen" en nog vele andere benamingen. Deze schepen waren de eerste schepen van de generatie die later als "pre-dreadnoughts" zouden worden aangeduid. (een "eer" die mogelijk ook kan worden toegewezen aan de Britse 'Majestic' klasse)

Tweede klasse slagschepen


Kruisers

Ook op het gebied van kruiserontwerp maakte White vele veranderingen om tot enkele standaardtypen te komen, deze zullen worden besproken in het artikel Kruisers en de desbetreffende beschrijvingen van de klassen.


Bronnen:

  • D.K. Brown, The Grand Fleet, Warship Design and Development 1906-1922.
  • D.K. Brown, Warrior to Dreadnought, Warship Design and Development 1860-1905.
  • R. Gardiner, R. Chesnau, E. Kolesnik (eds.) Conway's All The Worlds Fighting Ships 1860-1905.
  • R.A. Burt, British Battleships 1889-1904.
Personal tools