/** * */

Geallieerde interventie in Siberië

Situatiekaartje (uit Knaurs Welt-Atlas, ed. 1938).
Enlarge
Situatiekaartje (uit Knaurs Welt-Atlas, ed. 1938).
Aan het einde van de Eerste Wereldoorlog vonden een tweetal geallieerde interventies plaats in het door een burgeroorlog verscheurde Russische Rijk: een vanuit het noorden, via Moermansk en Archangel (→ Moermansk-expeditie) en een in Oost-Siberië via Wladiwostok, 1918/20. Een bont gezelschap van nationaliteiten maakte deel uit van de geallieerde strijdmacht, deels uit idealisme, deels ten eigen bate. In ieder geval was het streven herkenbaar om de "Witten" te ondersteunen in hun strijd tegen de "Roden", de bolsjewieken, gebaseerd op de terechte vrees, dat de Russische Revolutie zou kunnen overslaan naar de rest van Europa, ja, naar de hele "beschaafde" wereld, en Europa in de greep van het communisme zou komen; dan was er de - voornamelijk Britse en Franse – wens: na stabilisering van de interne politieke situatie in Rusland zo mogelijk een tweede front te vormen ten einde de Duitse druk op het westelijk front te verlichten. In Brits-Franse visie was daarbij een hoofdrol voor de Japanse bondgenoten weggelegd. Verder moest, voor zover dat nog kon, worden voorkomen, dat aan de Russische bondgenoot geleverde wapenvoorraden in handen van de bolsjewieken zouden vallen.

Ook van de Verenigde Staten werd een bijdrage verlangd. Maar president Wilson zag er aanvankelijk weinig in. De Russische revolutie en de burgeroorlog die zich daar voltrok beschouwde hij als een interne Russische aangelegenheid. En het zinde hem allerminst, dat Japan geacht werd een hoofdrol te vertolken. Van een vergroting van de Japanse invloed in Oost-Azië moest hij niets hebben.

Japan zelf was al evenmin gelukkig met de situatie en was bezorgd over de snelheid waarmee de revolutie in Rusland om zich heen greep, en dat de in Wladiwostok opgeslagen wapenvoorraden in handen van de bolsjewieken zouden kunnen vallen. Een rol voor zichzelf bij het vormen van een nieuw, tweede front, viel geheel buiten hun begrippenkader.

Van het "Tsjechische Legioen", bestaande uit deserteurs van het Oostenrijks-Hongaarse leger die naar de Russen waren overgelopen, maar zich na de val van het tsarenrijk tegen de bolsjewieken hadden gekeerd, waren inmiddels enkele duizenden in Wladiwostok aangekomen en eind juni 1918 namen zij deze stad in bezit. Vervolgens trokken zij langs de Transsiberische spoorweg weer naar Centraal-Siberïë, om hun kameraden bij te staan die daar strijd leverden met de bolsjewieken. Deze actie had de sympathie van Wilson en was voor hem aanleiding voor een beperkte Amerikaanse bijdrage, uitsluitend echter om de Tsjechen te ondersteunen.

Uiteindelijk namen aan de operatie deel: een Amerikaans expeditieleger onder generaal Graves, 9.000 man sterk; liefst 72.000 Japanners (deels vanuit Mantsjoerije aangevoerd), 70.000 Tsjechen van het "Tsjechische Legioen", 12.000 Polen, 4.200 Canadezen, 4.000 Roemenen, 4.000 Russische anti-bolsjewisten, 2.000 Italianen, slechts 1.600 Britten en maar 760 Fransen. Het was dus zeker niet zo, dat de Britten en de Fransen het "voor het zeggen" hadden, hoewel zij de onderneming hadden geëntameerd. De meeste troepen waren in de loop van aug. 1918 in Wladiwostok aangekomen.

Behalve de controle over het strategisch belangrijke Wladiwostok, de bezetting van delen van Oost-Siberië en China door de Japanners en de ondersteuning van het anti-bolsjewistische regime van de Russische admiraal Koltsjak in Omsk (de Japanners steunden merkwaardig genoeg zijn naaste rivalen) heeft de geallieerde interventie weinig concrete resultaten opgeleverd. Terwijl de meeste geallieerde troepen in juni 1920 met de terugtrekking uit Wladiwostok waren begonnen of reeds waren vertrokken, en eveneens een aanvang werd gemaakt met de evacuatie van het "Tsjechische Legioen", die eind dat jaar was voltooid, bleven de Japanners nog tot 1922 in de regio aanwezig.

Naar gegevens van: http://archive.newsmax.com/archives/articles/2002/5/25/164953.shtml

Personal tools