/** * */

Duitse oorlogsschepen beschieten Hartlepool, Whitby en Scarborough (1914)

Driemaal – op 3 november 1914, op 16 december 1914 en op 25 april 1916 – hebben Duitse kruisers voor de Engelse oostkust gestaan en Great Yarmouth, Hartlepool, Whitby, Scarborough en opnieuw Great Yarmouth en Lowestoft straffeloos kunnen beschieten. Het waren gevaarlijke operaties, die de machtige Engelse vloot evenwel niet heeft kunnen verhinderen. Daarentegen is het de Engelsen nooit gelukt doelen langs de Duitse Noord- of Oostzeekust te treffen.

De tweede raid, die tegen Hartlepool, Whitby en Scarborough was wel de meest gewaagde omdat de Duitse terugtocht dwars door formaties Engelse oorlogsschepen voerde - zonder dat de Duitse schepen werden opgemerkt. De beschieting van de kust zelf – ernstig bemoeilijkt door de sterke zeegang – werd door de verkenningseenheden van admiraal Hipper uitgevoerd. De formatie, die op 15 december 1914 om 3.30 uur in alle vroegte de Jade bij Wilhelmshaven had verlaten, bestond uit de slagkruisers Seydlitz (vlaggenschip), Moltke, Von der Tann en Derfflinger en de zware kruiser Blücher met de lichte kruiser Kolberg als mijnenlegger met 100 mijnen. Deze strijdmacht werd voorafgegaan door de lichte kruiser Graudenz met de 1ste torpedoboothalfflottielje aan stuurboord, de lichte kruiser Strassburg met de nieuwe 1000 ton olieboten van de 9de flottielje in het midden en Stralsund met de 2de halfflottielje aan bakboord. Ver daarachter - maar te ver om in noodgevallen nog te kunnen ingrijpen – het gros van de "Hochseeflotte" met de daarbij horende lichte kruisers, torpedoboten en twee oudere pantserkruisers, maar deze schepen keerden tegen de afspraak in voortijdig terug naar hun uitgangspositie toen ze in de 2de nacht van de opmars op Engelse torpedobootjagers stuitten, en zelfs de ingekomen melding van Hipper, dat hij in contact was gekomen met vijandelijke strijdkrachten, vermocht het opperbevel, dat verlies van de kostbare schepen vreesde, niet te bewegen om het gros op te dragen de oorspronkelijke koers te hervatten.

Situatiekaartje (uit: Justus Perthes' See-Atlas, ed. 1914)
Situatiekaartje (uit: Justus Perthes' See-Atlas, ed. 1914)

De slagkruisers hadden opdracht, de beschieting in twee groepen uit te voeren: Seydlitz, Moltke en Blücher onder admiraal Hipper zelf zouden, een noordelijke koers varend, Hartlepool onder vuur nemen; Von der Tann en Derfflinger onder schout-bij-nacht Tapken zouden de zuidelijker gelegen plaatsen Whitby en Scarborough bestoken. De lichte kruiser Kolberg, korvetkapitein Widenmann, moest los daarvan op bepaalde plaatsen mijnen leggen en zich later weer bij de slagkruisers voegen. De overige lichte kruisers werden, toen de eenheid Engeland naderde, onder leiding van Stralsund tezamen met de flottieljes teruggezonden naar het gros.

Op 16 december rond 7.30 uur 's ochtends werd de Engelse kust bereikt. De wind was tot stormkracht aangezwollen; de schepen doken in de golfdalen en namen het groene water over hun boeg. Het land lag achter mistsluiters verborgen, maar de verlichting van straten en gebouwen gaf genoeg aanknopingspunten voor de navigatie. Vanwege het gevaar voor mijnen dicht onder de kust blijvend, kregen de schepen van Hipper om 8.14 uur v.m. het noordelijk stadsdeel van Hartlepool in zicht. Dicht bij land was scheepvaartverkeer te zien, verder op zee enkele vissersboten. Pas om 8.45 uur v.m. scheen men de Duitse schepen gewaar te worden, want ze werden door een uitkijkpost opgeroepen zich bekend te maken, kort daarop ook door het signaalstation bij de vuurtoren, en eerst nog voor Engelse schepen gehouden. Intussen was de storm nog in hevigheid toegenomen en de lucht door zware bewolking verduisterd. Rond 9 uur echter, werden de slagkruisers, die hun aandacht op de kust hadden gevestigd, verrast door een aanval van vier Engelse torpedobootjagers van de "River"-klasse. Toen deze plotseling, op tegenkoers varend, uit de mist tevoorschijn kwamen, opende Seydlitz en kort daarop Moltke op 7 tot 5 km afstand het vuur. Na twee of drie salvo's scheen de eerste uitgeschakeld te zijn, en ook de tweede, die op Moltke afvoer, was getroffen en zinkende. Blücher vuurde op de andere twee torpedoboten. Op een ervan steeg een zwarte rookwolk op, waarop ze beide afdraaiden. Maar direct daarop ging er een, ondanks het hevige afweervuur, over tot een lopend gevecht, tot ook deze na een reeks explosies in de golven verdween. Radiosignalen die ze nog trachtten uit te zenden, werden door Seydlitz met succes gestoord. Volgens Corbett, Naval Operations deel II, zouden ze nog zijn ontkomen.

Na zeven minuten was het gevecht al voorbij. In die tijd had Seydlitz ca. 100, Moltke 54 15 cm-granaten afgevuurd, en de laatste bovendien 38 schoten met de zware artillerie (28 cm). Het vuur werd door het slingeren en stampen van de schepen en het slechte zicht aanzienlijk beïnvloed. Als de torpedobootjagers zouden zijn achtervolgd, zouden die dat ongetwijfeld niet overleefd hebben. Maar om niet nog meer tijd te verliezen, zag Hipper daarvan af en koos met zijn schepen om 9.21 uur positie op ca. 1,5 zeemijl van de vuurtoren van Heugh om het voorgenomen bombardement uit te voeren. Vanuit het noordoosten nam Seydlitz de Cemetery Battery en de daarnaast gelegen ijzerdraadfabriek onder vuur; Moltke vanuit het oosten de Lighthouse- en de Heugh Battery en het kuststation bij Town Moor en Blücher vanuit het zuidoosten de twee machinefabrieken, twee dokken en de gasfabriek. Afgezien van Blücher, werd eerst alleen met de lichte en middelzware artillerie geschoten. Pas als onbekende zware batterijen vanaf de kust het vuur zouden openen, zou de zware artillerie worden ingezet.

Het Engelse garnizoen, 11 officieren en 155 man, was al rond middernacht op de hoogte van de op handen zijnde aanval en was reeds een uur voor het aanbreken van de dag op de gevechtsposten aanwezig. Toen Blücher, commandant kapitein ter zee Erdmann, als eerste naar bakboord op de kust toedraaide en van 5 tot 6 km afstand met de beschieting begon, werd het vuur vanuit Hartlepool dan ook onmiddellijk beantwoord. Dit had aanvankelijk weinig effect, zodat Blücher er nauwelijks aandacht aan schonk, temeer niet daar de batterijen op het programma van de beide andere kruisers stonden, die al aan het inschieten waren. Maar nog voor deze de kustbatterijen tot zwijgen hadden gebracht, werd Blücher vier maal getroffen. Eerst ontplofte een 15 cm-granaat vlak onder de commandobrug en stelde het derde en vierde 8,8 cm-geschut aan stuurboord buiten gevecht. Negen man werden gedood, twee werden zwaar gewond. Gereedliggende munitie werd versplinterd maar zonder te exploderen. Toen trof een tweede granaat de kap van een van de 21 cm-torens. Granaatscherven vernielden de kijker en de afstandsmeter, maar niemand raakte gewond. Een derde granaat sloeg zonder te exploderen aan stukken tegen het pantser onder dezelfde toren, een vierde trof de bovenkant van de waarnemingspost in de voormast en brak de antenne en enige signaallampen en schijnwerpers. De bemanning raakte door deze gebeurtenissen niet van slag en het doorgeven van bevelen werkte even snel en zeker als bij oefeningen. De treffers deden daarom geen afbreuk aan de uitwerking van het eigen vuur tegen de doelen aan de kust.

Ondertussen hadden Seydlitz en Moltke vanuit het noordoosten de strijd met de geschutsbatterijen opgenomen. De inslagen van de Cemetery Battery lagen gemiddeld 100 tot 200 m te kort en het geschut zweeg al snel. Toen de schepen om 9.37 uur op tegenkoers gingen, slaagde de Heugh Battery erin om Seydlitz driemaal te treffen. De eerste granaat trof het voorschip en vernielde luchtschachten en een kast. Er ontstond een lek, dat evenwel snel gedicht kon worden. De tweede granaat sloeg een gat in een schoorsteen en de derde beschadigde kabels en luchtschachten op het achterschip. Eén man raakte licht gewond.

Toen ook Moltke een treffer te verwerken kreeg, die een paar kajuiten in het voorschip verwoeste, gaf de commandant van dit schip, kapitein ter zee v. Levetzow, opdracht om onmiddellijk de zware artillerie in te zetten, waarvan de inslagen gemakkelijker konden worden waargenomen dan van de middelzware artillerie. Spoedig daarna werd het Engelse fort door verscheidene treffers geraakt. Het duurde niet lang, of ook de laatste batterij was tot zwijgen gebracht. Aan Engelse zijde sneuvelden negen man en waren er 12 gewonden, maar de geschutsopstelling zelf werd niet direct getroffen.

Moeilijk hadden het vooral de lichte Engelse kruisers Patrol en Forward en de onderzeeër C 9, die in de binnenhaven van Hartlepool lagen, en niet konden uitwijken voor het Duitse vuur. Toen de torpedoboten om 6.30 uur waren uitgelopen, meldden ze een zo sterke deining, dat het voor deze strijdkrachten te gevaarlijk leek om de zandbank voor de kust bij laagwater te passeren. Ze waren daarom voorlopig in de haven gebleven en pas begonnen te verhalen toen de beschieting al in volle hevigheid was losgebarsten en juist de toegang tot de haven scheen onder een spervuur van Duitse granaten te liggen. Daardoor werd Patrol, die achter Forward uitliep, tweemaal door zware granaten getroffen (4 doden, 7 gewonden). De in haar kielzog volgende onderzeeër kon de salvo's door tijdig te duiken ontwijken, kwam daardoor hard met de zandbank in aanraking, waarboven slechts 5,5 m water stond, maar wist toch de zee te bereiken. Patrol daarentegen kwam vast te zitten en leek aan een zekere vernietiging ten prooi, toen de Duitse kruisers plotseling het gevecht afbraken en naar het oosten verdwenen.

Om 9.46 uur staakten de Duitse schepen de beschietingen, die slechts 16 minuten geduurd hadden. In die tijd waren niet minder dan 1150 granaten van zwaar, middelzwaar en licht kaliber verschoten en op militair belangrijke punten in de stad neergekomen, maar richtten ook aanzienlijke schade aan fabrieken en gebouwen aan, hoewel veel granaten niet tot ontploffing kwamen, omdat de ontstekers berekend waren op gepantserde schepen en de projectielen pas bij enorme weerstand explodeerden. Er vielen helaas ook onder de burgerbevolking slachtoffers: 86 mensen werden gedood, en 424 gewond. Volgens de Duitse lezing omdat de Engelse overheid geen probleem had met geschutsbatterijen bij stedelijke gebieden.

Inmiddels was het ook de zuidelijke groep Duitse kruisers onder schout-bij-nacht Tapken gelukt, de opgedragen taak met succes uit te voeren. Op weg zuidwaarts bleek ook daar het licht van vuurtorens gedoofd. Maar de hoogten, die Robin Hood's Bay omsloten, vergemakkelijkten de navigatie, zodat de schepen hun afstand tot de kust tot 1 zeemijl konden verkleinen. Bijna parallel op de hoge oever reed een fel verlichte spoortrein naar het zuiden, en kort na de aankomst daarvan in Scarborough bereikten ook de kruisers deze stad. Volgens plan passeerden ze om 9 uur 's ochtends de als een vesting boven zee uitstekende Scarborough Rock; toen begon ook daar de beschieting. Vanaf de schepen waren prikkeldraadversperring en barakken op de rots duidelijk waar te nemen, maar toch werd het vuur tegen de verwachting in vanaf land niet beantwoord. Ook vliegtuigen, die men uit de stad en van de Filey-Baai verwachtte, verschenen niet, hoewel daar volgens Engelse kranten wel sprake van zou zijn geweest.

Het eerste salvo met middelzwaar en licht geschut door Derfflinger op 2,5 km afgevuurd, sprong uiteen tegen de rots. Maar het tweede vloog er overheen en sloeg midden tussen de militaire installaties in. Gelijktijdig werden de inslagen van de 15 cm-granaten van Von der Tann op de bergrug van de 150 m hoge Oliver Mount als hoge zwarte rookzuilen zichtbaar. Daar zou het gebouw van de waterleiding liggen, maar van dit gebouw zelf was niets te zien, zodat het alleen bereikt kon worden door op doelen in de directe omgeving te oriënteren.

Al om 9.10 v.m. gingen beide schepen op tegenkoers, om de klippen voor de kust te ontlopen. Hoofddoel van de middelzware artillerie van Von der Tann was nu de 550 m achter Oliver Mount gelegen gasfabriek. Hoewel dit gebouw door een bos aan het oog werd onttrokken, werd het van een afstand van 4,5 km indirect onder vuur genomen, naar de inslagen te oordelen met gunstig resultaat. Ook het doel van de lichte artillerie, het spoorwegstation, kon door de over de stad liggende mist slechts indirect worden bestookt. Toch kreeg het station, dat gedurende 18 minuten vanaf 4,2 tot 3,8 km werd beschoten, een groot aantal directe treffers te verwerken, zoals door de uitkijk in de grote mast werd bevestigd.

Het naast het Grand Hotel gelegen kuststation, de signaalpost op Scarborough Rock en soortgelijke installaties op de rots lagen onder doeltreffend vuur van Derfflinger. Enkele korte salvo's kwamen over de strekdam heen in de met vissersschepen gevulde haven terecht. Toen de kruisers om 9.23 uur de beschieting beëindigden, hadden ze 333 15 cm- en 443 8,8 cm-granaten verschoten.Volgens de Engelse berichten was het resultaat van de beschieting onbeschrijfelijk. De bevolking, die zich onkwetsbaar had gewaand, werd plotseling met de gruwelen van de oorlog geconfronteerd. De mensen ontvluchtten schepen en huizen en stormden naar het station, om met de eerste de beste trein het oord der verschrikking te verlaten.

Door de beschieting aan de aandacht vanaf de kust ontglipt, was Kolberg, aan de slagkruisers voorbijvarend, 3,6 zeemijl zuidelijker van Scarborough met het leggen van mijnen begonnen. Door de zware zee maakte het schip tot 12 graden slagzij en moest de koers aanpassen zonder dat dit ten koste zou gaan van het effect van de versperring. Om 9.14 uur werd de eerste, om 9.41 uur de laatste mijn gelegd. Alle lagen, zoals bevolen, niet verder dan 10 zeemijl uit de kust en versperden de vaarroute tussen land en het mijnenveld voor de Humber bijna geheel.

Terwijl Kolberg na het uitvoeren van haar taak op het afgesproken ontmoetingspunt aanstuurde, voeren Von der Tann en Derfflinger met een snelheid van 23 knopen naar het noorden, om overeenkomstig het bevel, ook nog het kuststation van Whitby te vernietigen. Kort na 10 uur waren ook hier de uitgangsposities bereikt, en reeds om 10.06 uur werd door het tweede salvo van de middelzware artillerie van Von der Tann de zendmast met de Britse oorlogsvlag, evenals het zendgebouw zelf, aan stukken geschoten. Daarna beschoot de lichte artillerie van een afstand tussen 3,8 en 4,4 km het radiostation achter het westelijke havenhoofd. Dezelfde doelen werden ook door Derfflinger onder vuur genomen. In totaal kwamen 106 15 cm- en 82 8,8 cm-granaten op doelen in Whitby neer. Om 10.13 uur werd de beschieting beëindigd en koers gezet naar het trefpunt. Om 10.31 uur kwamen Seydlitz, Moltke en Blücher op 12 zeemijl afstand in NtW in zicht, terwijl Kolberg uit het zuidoosten op het verzamelpunt toestoomde. Om 11 uur meldde Hipper via de radio aan het gros dat de taak was volbracht. Dat inmiddels aanzienlijke Britse strijdkrachten positie hadden gekozen tussen de Duitse kruisers en het gros, was hem toen nog onbekend.

Hoewel de Britse admiraliteit al 20 uur tevoren van het uitlopen van de Duitse strijdkrachten op de hoogte bleek, werden pas bij het bericht van de beschietingen van de Engelse oostkust maatregelen getroffen, die daaruit bestonden, dat de 3de slagvloot, vice-admiraal Bradford, vanuit Rosyth in Schotland zuidwaarts werd gestuurd en commodore Tyrwhitt met zijn torpedobootflottieljes uit Yarmouth naar het noorden, om de Duitse schepen, waarvan werd vermoed dat deze op de terugweg gebruik zouden maken van een mijnenvrije doorgang naar de Doggersbank, de pas af te snijden. Betrokken bij deze operatie waren voorts de 2de slagvloot onder Sir George Warrender en het 1ste slagkruisereskader onder David Beatty, alhoewel de onderlinge communicatie tussen deze onderdelen van de vloot zeer te wensen overliet en de berichtgeving over de beschieting en de omvang van de Duitse eenheden hen eerst zeer laat bereikte. Ook de weersomstandigheden speelden een rol: zo moest Tyrwhitt door de zware zee zijn torpedobootflottieljes terugsturen en kon zijn opmars nog slechts met vier kruisers voortzetten.

De lichte kruisers en de flottieljes die Hipper om 7.40 uur 's morgens teruggestuurd had, vingen tegen 9 uur druk radioverkeer van Engelse schepen op, waaruit de conclusie werd getrokken, dat zich steeds meer vijandelijke strijdkrachten op de lijn Hartlepool-Helgoland samentrokken. Daarom werd besloten deze lijn zo snel mogelijk te passeren. Nadat de zee aanvankelijk iets tot rust was gekomen kwamen de schepen bij het naderen van de Doggersbank in zwaar weer terecht. In deze situatie was het raadzaam dat de drie kruisers, elk met een halfflottielje achter zich aan, bij een onverwachte ontmoeting met vijandelijke strijdkrachten de vrijheid hadden om een eigen koers te varen. De vijand liet niet lang op zich wachten. Plotseling, om 12.30 uur, werd op Stralsund recht vooruit een vaartuig gesignaleerd, dat – naar men meende – een Engelse slagkruiser was. Toen het schip werd aangeroepen antwoordde het driemaal met een verkeerd signaal. Hard naar stuurboord afdraaiend, opende Stralsund het vuur op een afstand van 4,8 km. Pas na het vierde salvo werd het vuur beantwoord. Kort daarop verscheen achter het eerste een tweede schip; beide waren kruisers van de stedenklasse. Direct daarop gaf Stralsund het signaal: aansluiten! en voor de torpedoboten het bevel: rookgordijn! Aan Hipper werd de aanwezigheid van vijandelijke pantserkruisers gemeld.

De commandant van Stralsund, kapitein ter zee Harder, wist dat dit soort Engelse kruisers vaak de voorhoede van sterkere vijandelijke strijdkrachten uitmaken en hield daarom een zuidelijke koers aan. Het vuur van de Engelsen was onnauwkeurig en richtte geen schade aan; in de buurt van Stralsund kwamen 8 tot 10 granaten neer, die in een felgroene, ongeveer 25 m hoge rookwolk explodeerden. Stralsund zelf kon gedurende het 20 minuten durende gevecht slechts 38 schoten lossen op een afstand die snel tot 9 km toenam. Om 12.55 uur werd het laatste salvo afgevuurd. De Duitse formaties sloten weer aaneen en gingen op zuidoostelijke koers; de Engelse schepen plotseling op westelijke koers, waarna nog een kort passeergevecht volgde.

Rond 1 uur n.m. zagen de Duitsers aan stuurboord in de mist de contouren van enorme schepen opdoemen. Het bleken zes schepen van de 2de Britse slagvloot, die gevolgd werden door kruisers. De Duitsers kropen door het oog van de naald door het even tevoren door de Engelse kruisers gegeven herkenningssignaal te herhalen. Als grote grijze mastodonten gingen de Britse schepen langzaam voorbij zonder een schot te lossen. De Duitse kruisers draaiden eerst verder naar het noordoosten af, maar zwenkten 20 minuten later onder dekking van de nevels terug op oostkoers. Maar de doorbraak door de Britse linies werd hun eerst mogelijk gemaakt doordat op het moment, dat de Britse slagschepen verschenen, de Engelse lichte kruisers afdraaiden en de weg vrijgaven.

Anderhalf uur voordat Stralsund om 12.30 uur 's middags in contact kwam met de voorhoede van de Britse schepen, had Hipper het opperbevel gemeld dat de opdracht was uitgevoerd. Tegen 12 uur kreeg hij een antwoord, waaruit bleek dat het Duitse gros zich veel verder naar het oosten bevond, dan verwacht was, temeer daar hij al om 9.23 uur had gemeld, dat de lichte eenheid onder leiding van Stralsund met de torpedobootflottieljes naar het gros was gestuurd en dat de slagkruisers na afloop van de beschieting zouden volgen. Dat betekende, dat Stralsund en de andere schepen geheel op zichzelf waren aangewezen en in groot gevaar verkeerden, maar het was te laat om ze nog terug te roepen. Ze te laten wachten zou dit gevaar niet kleiner maken zodat er niets anders overbleef dan ze met de hoogste snelheid te laten doorvaren. Misschien dat het slechte weer ze nog aan het oog onttrok voordat ze door Engelse oorlogsschepen ontdekt konden worden. Maar alle hoop vervloog toen Stralsund om 12.39 uur meldde dat vijandelijke strijdkrachten in zicht waren. Na deze melding voeren de slagkruisers met de hoogstmogelijke snelheid naar de plaats waar de lichte eenheid mogelijk in gevecht met de Engelsen was geraakt. Een duidelijk beeld van de situatie had men niet. Bovendien spraken nagekomen radioberichten elkaar tegen. Na het bericht van Stralsund om 13.11 uur over vijf vijandelijke slagschepen ontstond de indruk, dat de lichte kruisers door een opponent noordelijk van hen naar het zuidwesten werden opgejaagd, en stuurde Hipper, steeds contact houdend met de lichte eenheid, zijn slagkruisers eerst naar het zuidoosten, later in de richting ZOtZ. Omdat berichten van Graudenz, onafhankelijk van Stralsund eveneens melding maakten van vijandelijke linieschepen, maar onduidelijk was, of het over dezelfde ging aangezien de aantallen verschilden, werd door Hipper rekening gehouden met een aanzienlijke Britse overmacht. Pas toen Stralsund meldde, dat de vijand uit zicht was, en dat de drie lichte kruisers en de flottieljes in gesloten formatie een koers richting OtZ voeren, werd ogenblikkelijke ondersteuning minder urgent. Hipper had in ieder geval het voordeel gewaarschuwd te zijn voor een kennelijk door de Britten opgezette val. De slagkruisers koersten daarom, om mogelijke Britse verkenners te misleiden, naar het noorden. Later bleek dat Hipper op dat moment slechts 15 zeemijl verwijderd was van Beatty's slagkruisers en de slagschepen van Warrender (die de Duitse lichte eenheden in de mist waren gepasseerd). Om 15.25 uur werden door Hippers schepen vissersboten gezien, vermoedelijk Britse verkenners, maar deze werden, om geen Britse oorlogsschepen aan te trekken, niet achtervolgd. Om 6 uur 's avonds werd het noordelijke uiteinde van de Doggersbank bereikt. Van daaruit stuurden de slagkruisers met verminderde snelheid op een punt ten zuiden van Horns Riff aan.

De Britse admiraliteit in Whitehall, Londen, had een bericht doen uitgaan, dat de Duitse slagkruisers volgens gedecodeerde radioberichten van 13.15 uur slechts 12 zeemijl ten westen van de passages door de mijnenvelden voor de Doggersbank stonden. Om 13.45 uur kwam de aanvulling dat de schepen op noordkoers waren gegaan, maar deze essentiële informatie bereikte de Britse admiraals, die aan de uitgangen van de passages de Duitse schepen opwachtten, eerst om 16.20 uur. Op dit tijdstip passeerde admiraal Hipper reeds 20 zeemijl ten noorden van de slagschepen van Warrender, terwijl Beatty met zijn slagkruisers zich zelfs 60 zeemijl naar het zuidoosten bevond. Weliswaar gingen de Britse schepen direct op noordelijke koers, maar alle moeite was vergeefs, de vogel was gevlogen. Het uitzichtloze van verder zoeken erkennend, beval admiraal Warrender daarom al zijn strijdkrachten om 16.47 uur af te varen naar het afgesproken trefpunt in het noorden.

Op de Duitse slagkruisers was het drukke Engelse radioverkeer het enige, wat erop duidde, dat de vijand nog contact hield, mogelijk, zoals men dacht, om torpedoboten op te roepen of om de Duitse terugtocht door het leggen van mijnen te bemoeilijken. Vooral bij de kort voor zevenen 's avonds opgevangen berichten scheen het om iets belangrijks te gaan, gezien de intensiteit van de signalen waarvan de verzender, gehoord de geluidssterkte, zich dicht in de buurt moest bevinden. Om 8.12 uur 's avonds brak het signaal plotseling af waarna de berichten minder talrijk werden.

De door Stralsund aangevoerde lichte eenheden stonden om 6 uur 's avonds in oostzuidoostelijke richting op 85 zeemijl afstand van de slagkruisers. Ook zij meenden, gelet op de Britse radioberichten, dat ze achtervolgd werden, maar bereikten, door de weersomstandheden begunstigd, zonder verdere problemen rond middernacht Helgoland. Twee uur later ankerden ze in de Wezermonding.

Literatuur

  • Marine-Archiv (red.): Der Krieg zur See 1914-1918. Der Krieg in der Nordsee. 3. Bd. Berlin: E.S. Mittler & Sohn, 1923.
  • Corbett, Julian S.: Naval Operations. Vol. 2. London: Imperial War Museum, 1997.
Personal tools