/** * */

De ontsnapping van "Goeben" en "Breslau"

Admiraal Souchon (midden) met Enver Bei, de Turkse marine-stafchef (1914)
Admiraal Souchon (midden) met Enver Bei, de Turkse marine-stafchef (1914)
Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog bezat Frankrijk slechts vier dreadnoughts. Een daarvan behoorde tot de Middellandse Zeevloot en lag in de Franse oorlogshaven Toulon (de andere drie lagen in Brest), terwijl Oostenrijk en Italië, met Duitsland verenigd in de Dreibund, er ieder drie in de Middellandse Zee hadden. Daardoor was Frankrijks bondgenoot Engeland genoodzaakt de bij Malta gestationeerde Britse eenheden (vier pantserkruisers en vier lichte kruisers onder admiraal Sir Berkeley Milne) met de slagkruisers Inflexible, Indefatigable en Indomitable te versterken, hoewel deze node gemist werden in de Noordzee om het hoofd te kunnen bieden aan de Duitse Hochseeflotte.

Om tegenwicht te bieden aan de invloed, die de aanwezigheid van deze sterke geallieerde zeemacht in het oostelijk deel van de Middellandse Zee op het wankelmoedige Turkse Rijk zou kunnen uitoefenen, zond Duitsland, dat de Turken evenzeer als bondgenoot aan zich trachtte te binden, de slagkruiser Goeben, vlaggenschip van admiraal Wilhelm Souchon, en de lichte kruiser Breslau naar de Middellandse Zee (op dat moment bevonden ze zich in de Oostenrijkse oorlogshaven Pola voor onderhoud).

Op 30 juli, toen de oorlogsdreiging over Europa hing, ontving Milne van de Britse Admiraliteit opdracht Franse troepentransporten tussen Afrika en Europa te beschermen. Ook moest hij de Goeben schaduwen. Wetend dat de Duitse schepen in Brindisi hadden gebunkerd zond Milne de lichte kruiser Chatham om de Straat van Messina te controleren en de beide slagkruisers Inflexible en Indefatigable met de pantserkruisers naar de Straat van Otranto om te voorkomen dat ze zich weer bij de Oostenrijkse vloot zouden voegen. Chatham evenwel ontdekte niets, waarop besloten werd de twee Britse slagkruisers naar Gibraltar te sturen in de veronderstelling dat Souchon op weg was naar de Atlantische Oceaan. Dit leek inderdaad het geval te zijn, maar had een andere reden. In het ochtendgloren van de 4de augustus beschoot Goeben Philippeville en Breslau Bône in de Franse kolonie Algerije om het inschepen van troepen tegen te gaan, waarna ze keerden omdat Berlijn het bericht had gezonden dat een bondgenootschap met Turkije was gesloten en dat ze naar Konstantinopel, de hoofdstad van het Turkse Rijk moesten varen.

Op dat moment was de oorlog reeds uitgebroken. De oorlogsverklaring van Duitsland aan Frankrijk vond plaats op 3 augustus 1914, een dag later gevolgd door de oorlogsverklaring van Engeland aan Duitsland. De Britse slagkruisers, die de Duitse schepen hadden zien passeren op het moment, dat beide naties nog niet met elkaar in oorlog waren, hadden zich beperkt tot het volgen van Goeben en Breslau, maar konden ze niet bijhouden. Op 5 augustus bunkerde Souchon in Messina, hoewel Italië zich inmiddels neutraal had verklaard en vervolgde zijn weg naar Konstantinopel. Toen beide schepen de Straat van Messina verlieten, werden zij waargenomen door een van Milne's schepen, de lichte kruiser Gloucester, die hierop de uit vier pantserkruisers bestaande Britse eenheid (bevelhebber schout-bij-nacht E.C. Troubridge) waarschuwde, die inmiddels bij het Griekse eiland Korfoe lag. Deze kreeg op 6 augustus opdracht naar Kaap Matapan (zuidelijkste punt van het Griekse schiereiland Peloponnesus) te varen om de Duitsers te onderscheppen en gedurende de nacht aan te vallen. Maar de kapitein van het vlaggenschip van de eenheid, Fawcett Wray, liet aan Troubridge openlijk zijn twijfel blijken over het welslagen van de onderneming: de Duitse dreadnought zou te sterk zijn voor de Britse pantserkruisers, waarna de operatie werd afgeblazen. Alleen de Gloucester hield de achtervolging vol, maar ook zij moest ten slotte afhaken.

De drie Britse slagkruisers, die intussen eveneens naar Kaap Matapan waren gezonden, kregen op 8 augustus halverwege opdracht om het uitlopen van de Oostenrijkse vloot te beletten, maar dit bericht bleek de volgende dag op een misverstand te berusten: de Engelse oorlogsverklaring aan Oostenrijk zou eerst op 12 augustus volgen. Souchon intussen, was op 8 augustus bij het eiland Denusa in de Egeïsche Zee aangekomen om te bunkeren en voer daar 's morgens vroeg om 10 augustus weer weg. De dreadnoughts van Milne kwamen eerst 11 augustus in de buurt van dit eiland aan, toen Souchon al de Dardanellen was binnengevaren. Toen Milne een torpedobootjager stuurde om de Turkse autoriteiten eraan te herinneren dat schepen van belligerenten slechts 24 uur in een neutrale haven mogen blijven, kreeg hij te horen dat de Turken beide schepen hadden overgenomen van Duitsland. Milne, die dit niet kon of wilde geloven, liet zijn twee slagkruisers Indomitable en Indefatigable achter om de Dardanellen te bewaken, vast overtuigd als hij was dat de Duitse schepen weer zouden proberen uit te breken. Milne zelf werd naar Londen teruggeroepen, moest het bevel van de Britse Middellandse Zeevloot overdragen en werd ten slotte uit al zijn functies ontheven. Troubridge, die geweigerd had slag te leveren met de Duitse eenheid, werd plichtsverzuim ten laste gelegd en voor de krijgsraad in Portland gedaagd, maar uiteindelijk vrijgesproken.

Ondertussen was Souchon er samen met de Duitse generaal Otto Liman von Sanders in geslaagd de Turken definitief over te halen aan de zijde van Duitsland ten strijde te trekken tegen Engeland en zijn bondgenoten (oorlogsverklaring van de Turken aan de Entente 12 november 1914). Een eskader onder zijn leiding voerde op 30 oktober in de Zwarte Zee een bombardement uit op de Russische steden Sebastopol op de Krim en Novorossisk ten oosten daarvan. De Britten reageerden daarop met een beschieting door Indefatigable en Indomitable en twee Franse dreadnoughts van de Turkse forten op de Dardanellen, wat de Turken er alleen toe bracht hun verdediging te versterken.

Schout-bij-nacht S.H. Carden, die het bevel over de Britse schepen voerde en opdracht had de Goeben en de Breslau tot zinken te brengen, ontvouwde, gesteund door admiraal 'Jacky' Fisher, die opnieuw de functie van First Sea Lord bekleedde, in januari 1915 het gedurfde plan om binnen een maand de Dardanellen te passeren en de Zee van Marmora binnen te dringen en aldus Konstantinopel te bedreigen. Hij kreeg daartoe versterking van de nieuwe Britse dreadnought Queen Elizabeth (een zgn. snel slagschip, 8 38-cm-kanons) en 16 oudere Britse en Franse schepen, waarmee hij op 19 februari 1915 de buitenste forten van de Dardanellen aanviel. Maar alle verwoede pogingen ten spijt werd door de geallieerden, die stuitten op verbitterde weerstand van de Turken, weinig voortgang geboekt, mede door de aanwezigheid van uitgestrekte Turkse mijnenvelden. Op 10 maart gaf Carden de strijd op en werd opgevolgd door schout-bij-nacht J. de Robeck. Op 18 maart maakte deze zich op voor de beslissende aanval, die aanvankelijk wel de mobiele Turkse batterijen tot zwijgen bracht, maar waarbij het Franse slagschip Bouvet de lucht in ging en de Inflexible, evenals twee andere Britse schepen, op Turkse mijnen liep, waarop de geallieerde vloot zich terugtrok. Carden zag in dat hij zonder steun van grondtroepen geen beslissing zou kunnen forceren.

Die steun werd geboden door een Brits expeditieleger, 78.000 man groot, dat in allerijl was vrijgemaakt, maar dat echter pas op 25 april beschikbaar kwam. In de tussentijd hadden de Turken, inmiddels 84.000 man sterk, zich kunnen herstellen. Toen de schepen van De Robeck 29.000 man aan land zetten op het schiereiland Gallipoli aan de westoever van de Dardanellen, weken de verdedigers, geleid door de Duitse generaal Liman von Sanders, geen centimeter. In de acht maanden die volgden werd er nauwelijks terreinwinst geboekt. Drie pre-dreadnoughts gingen verloren; één door een torpedo van een Turks schip en twee door torpedo's afgevuurd door de Duitse onderzeeër U 21. De grondtroepen kwamen nooit verder dan Carden destijds in februari. De strijd zou zich nog maandenlang voortslepen. In december 1915 gaven de geallieerden het op en trokken zich terug.

Eind april 1915 vertoonde de Goeben zich in de Zee van Marmora om de geallieerde troepentransporten naar Gallipoli aan te vallen, maar trok zich op het zien van de Queen Elizabeth schielijk terug, om daarna nog slechts in de Zwarte Zee tegen de Russen actief te zijn. Ze werd in december 1914 beschadigd door een mijn; de Breslau ook, in juli 1915. Pas toen Konstantinopel niet meer werd bedreigd, in 1917, waagde Souchons opvolger, vice-admiraal Paschwitz, zich weer in de Egeïsche Zee (beide schepen behielden gedurende de oorlog hun Duitse bemanningen). Op 19 januari 1918 liepen Goeben en Breslau uit om de geallieerde basis op het eiland Lemnos te beschieten. Zonder zich om mijnen te bekommeren bereikten ze een dag later in alle vroegte de uitgang van de Dardanellen, waar ze twee Britse monitors verrasten en tot zinken brachten. Maar een uur later liep Breslau in een Brits mijnenveld op een mijn bij Kaap Kepháli (eiland Imbros ten westen van de toegang tot de Dardanellen). In een poging haar op sleeptouw te nemen, raakte Goeben er ook een. Een paar minuten later raakte Breslau nog eens vier mijnen en zonk. Goeben voer terug naar de Dardanellen, raakte wederom een mijn en kwam ten slotte halverwege deze zeestraat vast te zitten, maar kon naar Konstantinopel worden gesleept voordat ze ten prooi viel aan geallieerde onderzeeërs.

Aangezien er in Turkije geen droogdok was groot genoeg voor haar, werd ze gedokt in Sebastopol toen deze stad in 1918 onder Duitse controle viel. Tijdelijke reparaties konden slechts worden uitgevoerd wegens gebrek aan materiaal, personeel en tijd. Zelfs na deze reparaties was ze praktisch bijna niet inzetbaar en was hoogstens een mobiele drijvende batterij voor de verdediging van Istanbul. Pas vanaf 1926 tot 1930 werd ze volledig gerepareerd door een Franse firma die er te Istanbul een cofferdam rond bouwde en de nodige tijd had om volledige reparaties door te voeren. Doch er werd van de gelegenheid niet gebruik gemaakt om haar op olie-bandstof om te bouwen. Ze bleef tot het einde van haar leven op kolen gestookt.

In Turkse dienst werd Goeben omgedoopt in Yavuz Sultan Selim en in 1936 tot Yavuz en Breslau tot Midilli. Goeben/Yavuz was de dreadnought met de langste staat van dienst: meer dan 60 jaar was ze actief, was 40 jaar vlaggenschip van de Turkse marine en maakte deel uit van de NAVO. Ze werd in 1966 te koop aangeboden, maar ondanks energieke pogingen haar voor de historie te behouden, werd ze zes jaar later gesloopt. Dit was des te meer triest, omdat er in Duitsland meer dan voldoende geld beschikbaar was om de laatste overlevende van de Hochseeflotte te redden, maar de politiek in Duitsland stond vijandig tegenover alles wat naar militarisme zweemde. Ook was ze bijna in haar originele staat bewaard, wat een meerwaarde als museumschip zou hebben betekend. In een Turks museum is nog een van de enorme scheepsschroeven van het schip te zien.

Literatuur

  • Marine-Archiv (Hrsg.): Der Krieg zur See 1914-1918. Der Krieg in den türkischen Gewässern. 1. Bd.: Die Mittelmeer-Division, 1928. 2. Bd.: Der Kampf um die Meerengen, 1938. Berlin: E.S. Mittler & Sohn.
  • Preston, Anthony: Battleships. London: Bison Books, 1981.
Personal tools