/** * */

De ondergang van de "Hampshire" (1916)

HMS Hampshire (pantserkruiser)
Land: Groot-Brittannië
Klasse: Devonshire-klasse (6 schepen: Antrim, Argyll, Carnarvon, Devonshire, Hampshire, Roxburgh)
Waterverplaatsing (toegelaten tonnen): 11.000
Afmetingen (lengte / breedte / diepgang): 137,2 m / 20,9 m / 7,7 m
Bewapening (kanons / torpedobuizen): 4 x 19 cm; 6 x 15,2 cm / 2 x 45 cm
Pantser (gordel / dek / hoofdgeschutstorens): 15,2 cm / 5,1 cm / 15,2 cm
Voortstuwingsinstallatie (ketels / machines): ? /?, 2 schroefassen
Totale APK: 22.100 (IPK)
Brandstofvoorraad: kolen, 1600 t
Prestaties (snelheid / actieradius): 23,5 knopen / 4.900 zeemijl bij 13 knopen
Bemanning: 655
Gebouwd door: Armstrong, Elswick
Opdracht verstrekt:
Kiel gelegd:
Tewaterlating: 1903
In dienst gesteld: 1905
Einde: 5 juni 1916 op mijn gelopen en gezonken

HMS Hampshire was een pantserkruiser van de Royal Navy. Sinds 1911 maakte het schip deel uit van de Engelse Middellandse Zeevloot, in 1912 werd ze in het verre oosten gestationeerd en in 1915 in Scapa Flow. De voornaamste wapenfeiten waren de vruchteloze jacht op de Duitse lichte kruiser Emden in de Indische Oceaan in 1914, en de anonieme deelname aan de Slag bij Jutland (31 mei/1 juni 1916).

Het enige Duitse vaartuig dat tijdens deze slag in de buurt van de Grand Fleet vertoefde, was onderzeeboot U 75 (kapitein-luitenant Curt Beitzen). Deze boot had op 29 mei ten westen van de Orkney-Eilanden mijnen gelegd en bereikte op 31 mei, 8 uur 's avonds, de Noorse kust bij Utfire, zonder overigens op de hoogte te zijn van het treffen tussen de Engelse en Duitse vloot. Op 1 juni 1916, 90 zeemijl westelijk van Hanstholm stuitte U 75 op een uitgestrekte zone waarin balken, hangmatten, roeiriemen en lantarens ronddreven, terwijl dode vissen en meeuwen de zee bedekten. Om 3 uur 's middags werd op 57° 3' N, 6° 0' O een wrak (de Invincible) gezien, in de buurt waarvan Engelse torpedoboten rondvoeren. Merkwaardig genoeg werd niets gemerkt van de Engelse slagkruiservloot. Vanaf dat moment namen wind en zeegang steeds verder toe, en de volgende morgen stond er een zware storm. Bij felle zonneschijn beukten geweldige stortzeeën op U 75, maar de onderzeeër hield zich voortreffelijk. Nadat de boot tegen de middag bij Horns Riff nog driemaal voor vijandelijke onderzeeërs, die daar op de loer lagen, had moeten uitwijken, vernam men pas van een voorpost de eerste berichten over genoemde zeeslag en liep op 3 juni de haven van Helgoland binnen.

Op 4 juni 1916 was veldmaarschalk Lord Kitchener, sinds 1914 de Engelse minister van oorlog, met een staf van zes officieren in Scapa aangekomen voor een reis met de Hampshire naar Archangelsk. Het doel van deze reis was ondersteuning van de Russische bondgenoten in de strijd tegen de Centrale Mogendheden Duitsland en Oostenrijk-Hongarije en duldde, gelet op de kritieke situatie aan het oostelijke front, geen uitstel. Op de avond van die dag stak er echter een hevige storm uit het noordoosten op; het bleek onmogelijk om de oorspronkelijke route, oostelijk van de Orkney-Eilanden, op de aanwezigheid van mijnen te onderzoeken. Daarom werd besloten, een route ten westen van de eilanden, dicht onder de kust te kiezen, waar de zee rustiger was en de kruiser begeleid kon worden door torpedoboten. Het was zo goed als uitgesloten, dat daar intussen door een vijandelijk schip mijnen zouden zijn gelegd. Duitse onderzeeboot-mijnenleggers hadden hun activiteiten tot dusverre beperkt tot het gebied ten zuiden van de Firth of Forth, blijkbaar vanuit de gedachte, zo meende men, dat hun actieradius voor operaties van grotere omvang onvoldoende was, zodat ook van die kant geen gevaar te duchten viel. En tegen aanvallen van andere onderzeeërs zou het slechte weer de beste bescherming bieden, hoewel dit er juist de oorzaak van was, dat de vaarwegen aan beide zijden van de Orkney-Eilanden al drie of vier dagen niet gecontroleerd waren.

Bij deze overwegingen werd over het hoofd gezien, dat op 2 juni de vissersboot Laurel Crown in dit gebied op een mijn was gelopen en was vergaan. De Engelse vlootleiding zou op de hoogte moeten zijn van het mijnenveld, dat door U 75 was gelegd. Dat er desondanks voor deze gevaarlijke route werd gekozen, valt uitsluitend daaruit te verklaren, dat de inlichtingendienst in de nasleep van de grote zeeslag nog druk bezig was met de afwikkeling van berichten en de evaluatie daarvan, zodat de melding de betrokken autoriteiten nog niet had bereikt.

Op 5 juni, 6.30 uur 's morgens, stak de Hampshire met Lord Kitchener aan boord in zee, begeleid door twee torpedoboten. Tot overmaat van ramp draaide de wind naar het noordwesten, zodat de torpedoboten al om 8 uur 's morgens teruggestuurd moesten worden; ze konden de pantserkruiser door de zware zee niet bijhouden. Een half uur later liep de Hampshire, slechts 1,5 zeemijl uit de kust, tussen Brough of Birsay en Marwick Head op een mijn en zonk, zoals vanaf de wal kon worden waargenomen, binnen een kwartier. Door het noodweer konden door de Hampshire geen reddingsboten worden uitgezet, het schip kenterde, en slechts 12 man slaagden erin op een vlot aan land te komen. De overigen, waaronder ook Kitchener met zijn staf, vonden de dood in de onstuimige zee, nog voordat toegesnelde torpedoboten de plaats van het ongeluk bereikten. In Kitchener verloor Engeland een van de pijlers, waarop de wereldmacht van het Britse imperium berustte, een man ook, die gold als symbool van de nationale eenheid, zoals de in memoriams betoogden.

Literatuur

  • Der Krieg zur See 1914-1918. Hrsg. v. Marine-Archiv. Der Krieg in der Nordsee. Bearb. v. O. Groos. 5. Band. Berlin: E.S. Mittler u. Sohn, 1925.
  • Weyer, B.: Taschenbuch der Kriegsflotten. XVI. Jahrgang. München: J.F. Lehmann's Verlag, 1915.
Personal tools