/** * */

Cellerier mortier

De Cellerier mortier in het Brusselse Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis.
Enlarge
De Cellerier mortier in het Brusselse Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis.
De Cellerier mortier was een Franse 65mm mortier uit de Eerste Wereldoorlog. Het werd ontworpen door de kapitein van de artillerie, Cellerier, in 1914 als antwoord op de Duitse Minenwerfer.

Kapitein Cellerier zag aan het front in de Argonne in 1914 in dat men een antwoord nodig had op de Duitse 17 cm Mitteler Minenwerfer die daar door het Duitse leger voor het eerst in grote getale aan het front werd ingezet. Cellerier zag dat het slagveld bezaaid lag met Duitse 77 mm shrapnelgranaten. Zulke granaat bestaat uit een cylindrisch stalen lichaam, afgesloten aan de achterzijde, doch open aan de voorzijde, maar afgedekt met een gestroomlijnde kap en gevuld met kogeltjes en een kleine springlading. Na het afvuren werd de konische "top" van zulke granaat weggeblazen door een kleine springlading die de schrapnellballetjes voorwaards uit de granaat schoot. Wat overbleef was het lichaam van de granaat, een stalen cylinder met een buitendiameter van 77mm en afgesloten aan één zijde, die neerviel op de vijandelijke linies.

Cellerier merkte toevallig op dat de huls van het Franse Canon de montagne de 65mm modèle 1906 net in deze holte in de granaat paste. Hierdoor kwam hij op het idee om deze twee elementen, die eigenlijk afval op het slagveld waren, te combineren tot een primitieve mortier. De 77mm schrapnellgranaat werd gebruikt als loop, en de 65mm huls werd tot granaat omgevormd.

De granaat bestond uit een 65mm huls. Deze werd gevuld met een perchloraatspringstof en later met meligniet. Naast de springstof werd de "granaat" gevuld met schroot dat men op het slagveld verzamelde, of zelfs spijkers of glasscherven om de scherfwerking te verhogen. De kop van de granaat werd gevormd door een houten stop die met drie spijkertjes werd vastgemaakt aan de originele huls. Uit de basis van de huls werd het originele slaghoedje verwijderd en vervangen door een stukje lont dat door de aandrijflading werd ontstoken en die de granaat na een tijd deed ontploffen. Later, toen de hulzen van het 65mm kanon zeldzaam werden, werden er ook speciale gietijzeren granaatjes gemaakt en ook allerlei granaatjes uit blik, dun plaatijzer en zelfs messing. Ook konden de originele granaten van het Canon de montagne de 65mm modèle 1906 met deze improvisatie verschoten worden. Deze granaten werden echter begrijpelijkerwijze voorbehouden om met de originele kanonnen af te schieten. Doch afgekeurde exemplaren, die prematuren in het kanon zouden kunnen veroorzaken, kon men toch relatief veilig met de Cellerier mortier afvuren wegens de geringe afvuurschok van deze laatse.

In de 77mm granaat, omgevormd tot loop van de mortier, werd een gat nabij de basis geboord om de aandrijflading te ontsteken. Dit geheel werd op een houten blok vastgemaakt onder een vaste elevatie van 45 graden. Het bereik werd ingesteld door het variëren van de aandrijflading en door het gehele mortiertje wat te kantelen op zijn ondergrond; de traverse door het geheel ruwweg in de gewenste richting te draaien.

Op 3 november 1914 demonstreerde Cellerier zijn "uitvinding" aan zijn korpschef. Op 4 november werd met enkele exemplaren als test op de vijandelijk linies gevuurd. De korpschef was onder de indruk van de prestaties van dit goedkope en gemakkelijk te produceren mortiertje, en het werd in de artillerieparken in produktie genomen.

De Cellerier-mortier verschoot een granaat met een gewicht van 1,8 kg tot 300 meter ver. De nauwkeurigheid was begrijpelijkerwijze gering, doch dit maakte men goed door vijf of zes van deze mortiertjes naast elkaar te monteren en in één salvo af te vuren. De troepen aan het front waren in ieder geval enthousiast en op 27 november 1914 werd de Cellerier-mortier, op vraag van Joseph Joffre, officieel in produktie genomen.

Naast de bekende 65 mm Cellerier-mortier, werden gelijkaardige exemplaren op lokaal initiatief vervaardigd uitgaande van schrapnell-obussen van 88 mm (nominaal 90mm in Duitse terminologie), 105 mm, 120 mm en 150 mm als loop. Hiervoor werden ook allerlei granaten uit blik, plaat- of gietijzer vervaardigd.

De Cellerier mortier was een zeer rudimentair en weinig nauwkeurig wapen. Omdat het snel met wat maar voorhanden was kon worden geïmproviseerd in lokale artillerieparken was hij daarentegen wijdverbreid. De infanterie was zeer tevreden met dit mortiertje, dat immers directe vuursteun kon geven vanuit de voorste linies zonder dat men moest wachten op bevelen van hogerhand.

Bronmateriaal:

(zonder auteur), Les Crapouillots 1914-1918, p 40-41.

Afkomstig van WO1Wiki NL, de Vrije Encyclopedie. "http://www.forumeerstewereldoorlog.nl/wiki/index.php/Cellerier_mortier"
Personal tools