/** * */

Batterij Pommern te Koekelare

Batterij Pommern is Duits marine geschut, gesitueerd in Koekelare, Vlaanderen.

Inhoud



De naam van de Batterij

Genoemd naar het Duitse slagschip Pommern van de Kaiserliche Marine die gezonken werd door torpedo rond middernacht in de nacht van 31 mei op 1 juni 1916 tijdens de slag bij Jutland door een destroyer van het 12de Britse Flottille. 839 bemanningsleden kwamen hierbij om.

Gelet op het feit dat de batterij bemand was door troepen van een Marine Artillerie Regiment werden benamingen ook steeds in verband gebracht met de Marine.

Veel van de stukken van de kustbatterijen waren trouwens afkomstig van herbewapende schepen en de batterijen werden zo vaak naar het schip van herkomst vernoemd. Andere stukken waren afkomstig van de kustforten in Duitsland en kregen hier de benaming van het fort mee. Soms, zoals in het geval van de Pommern, was de benaming ook een eerbetoon aan schepen (of belangrijke figuren zoals de Wilhelm II batterij te Knokke of de Hindenburg batterij te Oostende).


Beschrijving van het batterijcomplex en zijn bescherming.

Pantsering

Het 38 stuk van de Pommernbatterij genoot bescherming van een pantsering van 5 tot 5.5 cm dikte (volgens een Amerikaans rapport zelfs plaatselijk tot niet minder dan 6 centimeter) en stond op een voet die draaien mogelijk maakte over een hoek van 157°. Dit is eerder uitzonderlijk bij de grote batterijen, want de meeste konden een volledige cirkel (360°) beschrijven in hun betonnen bedding. Zowel het draaien van het stuk als het in positie brengen van de elevatiehoek gebeuren elektrisch. Er was tevens een mechanisch reservesysteem. Diverse foto’s en doorsneden tonen aan dat de elektrische systemen bij het stuk ingebouwd waren en zich er niet onder of naast bevonden.

Wat de Pommern betreft werd het pantser er niet gedeeltelijk op geplaatst zoals bij de batterij Deutschland te Bredene, vooraleer men het kanon plaatste. Op de diverse foto’s is duidelijk te zien dat het skelet van de bepantsering reeds aan de toren bevestigd was maar dat het daarmee ook stopte. Blijkbaar had men lessen getrokken uit de manier van werken.


Fundering

De Fundering van de Pommern, anno tegenwoordig.
Enlarge
De Fundering van de Pommern, anno tegenwoordig.

De afmetingen van de betonnen bedding zijn niet exact gekend. De diepte zal met de (verdwenen) betonnen bovenkraag rond de 7 tot 8 meter liggen. Volgens sommigen was de put zelf al zo diep. We weten dat dit niet correct is. Het reeds aangehaalde Amerikaanse rapport vermeld zeer duidelijk dat de totale diepte van de bedding op vier en een halve meter ligt. Men spreekt van drie meter en nog eens één en een halve meter. Voor een gelijkaardig stuk met 360° hoek bedroeg de binnenste doorsnede 20 meter. Gelet op de hoek van 157° van de Pommern en de vorm van de put kan deze doorsnede maximum een goede 15.5 meter zijn in de breedte en 20 meter in de lengte. Het Amerikaanse rapport spreekt echter van een doorsnede van 22,439 meter. Gelet op de vele details hebben we de neiging de Amerikanen hierin te volgen.

De specifieke vorm van de geschutsbedding riep ook enkele vragen op. De ene helft aan de achterzijde vormt een halve cirkel. De andere helft aan de voorzijde van het stuk bestaat uit 2 rechte stukken in hoekvorm t.o.v. elkaar. Dit deed vermoedens rijzen dat er ruimten waren in dit deel. Het nut daarvan was niet duidelijk, gezien de elektrische bediening en motoren van het stuk in het stuk zelf ingebouwd waren. Nieuwe foto’s hebben zeer recent inderdaad aangetoond dat er van de achterzijde van de put gezien in het linkse recht stuk, die een hoek vormt op de halve cirkel , een deur zit. En ook aan de andere zijde van de bedding bleek dit het geval te zijn. Verder onderzoek heeft uitgewezen dat tijdens de Tweede Wereldoorlog bij dergelijke grote batterijen (bvb de 38 cm stukken van de Todd batterij in Frankrijk) in een ruimte naast het stuk een generator opgesteld stond voor het aanmaken van elektriciteit. Gelet op het feit dat de batterij Pommern eveneens zeer landelijk gelegen was, is dit de meest voor de hand liggende uitleg. Vraag was natuurlijk of hiervan iets overgebleven was en dit is niet het geval. Mogelijks zat hier ook de pompinstallatie voor de afvoer van het regenwater. Er zijn ook aanwijzingen voor een ondergrondse gang die in baksteen gemetst was. Mogelijks was deze dan ook op deze ruimte aangesloten. Het is zo dat bijvoorbeeld bij de batterij te Zillisheim de aanvoer van de munitie die van de grote munitiebunker kwam, ondergronds liet gebeuren door een tweetal gangen. Het zou ons niet erg verwonderen moest dit wat Koekelare betreft eveneens het geval zijn.

Het geluk was met ons toen Thierry Ehret voor zijn studie over de 38 cm batterij te Zillisheim op de originele plannen stootte van de batterij in het archief van Krupp. De enige van een 38 cm batterij die nog bewaard gebleven zijn ! En hieruit blijkt dat ook daar en op tal van andere plaatsen de bouw quasi identiek was en er zich inderdaad een rechthoekige ruimte bevond aan de voorzijde van het kanon van ongeveer acht op drie meter !

Munitiebunkers

Naast beide zijden van het stuk zelf stonden munitiebunkers. De ene deed links deed dienst voor de hulzen en ladingen, de andere rechts voor de eigenlijke projectielen.

Drie vierde van de beide bunkers bestond uit een balk constructie. Eén vierde gelegen aan de achterzijde van deze bunkers daalde schuin af naar de achterzijde toe. Op sommige foto’s krijg je hierdoor het valse idee dat het hier zou gaan om constructies die er achteraf bijgeplaatst werden. Toch werden deze bunkers origineel op deze manier gebouwd. De reden hiertoe is nog niet bekend. Aan de voorzijde waren de beide bunkers volledig dicht. Tussen de beide bunkers bemerkte je enkel de bovenkant van de halfronde muur voor het stuk. Het geheel was namelijk bijna volledig van het gezichtsveld afgeschermd door een talud. Enkel het bovenste van de voorwand van de bunkers was enigszins zichtbaar.

Van de achterzijde van de batterij gezien gaf dit volgende situatie : de bunker rechts had een uitgang naast de geschutsbedding door middel van een enkele deur. De linkse bunker bleek geen dergelijke uitgang te hebben. Aan de achterzijde van beide bunkers was een grote ingang van enkele meter breed, dit om de toevoer van projectielen en ladingen te vergemakkelijken. Binnenin waren de bunkers verdeeld in compartimenten. Hieromtrent is nog geen juiste duidelijkheid. Feit is dat op armhoogte in de rechtse bunker er opslagvakken gemaakt waren en zeker twee compartimenten. Tevens liep een smalspoor door deze bunker. Op de zijwand naast de geschutsbedding blijkt op deze bunker tevens een lichtarmatuur bevestigd geweest te zijn. Deze werd na de oorlog verwijderd. Of op de andere bunker ook een armatuur stond is niet bekend.

We weten ook hoe dik de daken waren van de beide bunkers dankzij het rapport van de twee Amerikaanse officieren de majoors Armstrong en Norton, die in december 1918 het geheel kwamen bestuderen. De daken hadden een dikte van maar liefst drie meter en van op de vloer was er een totale hoogte van niet minder dan vijf en een halve meter !

Achter het stuk en de beide bunkers was er eveneens een terreinverhoging die aan de zijde van de bunkers en het stuk afgeschermd werd door een wand bestaande uit vermoedelijk vlechtwerk en een wand uit horizontale planken. Deze wand stond aan de ene kant in L vorm ten opzichte van de rechtse bunker (opnieuw van achteraan bekeken) en het kleine voetje van de L kwam tot net voorbij de brede ingang aan de achterzijde van de bunker. Of de situatie langs de andere zijde ook zo was is betwijfelbaar, want vermoedelijk was dit de originele in en uitgang. Gezien de meeste foto’s van de batterij lang na de oorlog genomen werden kan dit momenteel nog niet 100 % bevestigd worden.

De ladingen die in één van deze beide bunkers bewaard werden, zaten steeds verpakt in ofwel katoen ofwel (doch eerder uitzonderlijk naar het einde van de oorlog toe) in zijden zakken. Deze ladingen werden dan in de koperen hulzen geplaatst op het ogenblik dat men ze nodig had.

Aanvoer van munitie

In afwijking van het normale spoor Oostende-Torhout liep een vertakking naar de batterij, die zich ter hoogte van de Leugenboomstraat in twee splitste. Een deel liep door tot aan de batterij die zich aldaar in drie splitste. Het midden spoor was noodzakelijk geweest voor de aanvoer van stuk en delen van het onderstel tot bij de werkput. De twee andere sporen liepen links en rechts tot aan de bunkers en waren bestemd voor de aanvoer van de projectielen en ladingen. De andere aftakking liep even noordwaarts, om zich daar te splitsen met een vertakking naar een grote munitiebunker en een vertakking naar de Riethoek. In deze grote bunker zat het gros van de munitie voor de batterij Pommern. In de twee bunkers naast de batterij werden enkel kleinere hoeveelheden bewaard, namelijk de hoeveelheden die effectief nodig waren om een beperkte periode te vuren en dit met het oog op de veiligheid. Dit was trouwens een klassiek gegeven in de meeste batterijen.

De aanvoer van de projectielen op de batterij zelf gebeurde in een speciaal hiervoor ontworpen holle wagen, die op zijn beurt op een spoor liep (los smalspoor zie bvb ook de batterij Deutschland), zodat men dit kon vervoeren tot tegen de achterzijde van het stuk en het er enkel nog hoefde in te duwen.

Bunker met onbekende functie

In de onmiddellijke omgeving stond ook een derde bunker. Hij stond langs de achterzijde de batterij bekeken, rechts van de munitiebunker in het bos. Aan de zijde naar de munitiebunker was in ieder geval een opening. Of het hier om een deur of een ‘venster’ ging is niet duidelijk. De functie van deze bunker is nog niet achterhaald. Mogelijks was het hier de klassieke personeelsbunker om in te schuilen bij vijandelijke beschietingen of bombardementen, maar dit is eerder onwaarschijnlijk, meer waarschijnlijk zou zijn dat hier de vuurleiding zat.

Vuurleiding

De vuurleiding zelf zat in geen geval in of direct bij het stuk zelf. Wanneer het stuk klaar was om te schieten, werd deze vuurleiding/commandopost verwittigd hiervan dmv een schakelaar. Ook bracht men in het stuk zelf een aantal vaste coördinaten aan voor de beschieting van bvb. Duinkerke.

Wat het personeel aangaat, dit was niet gelegerd in de klassieke ondergegraven personeelsverblijven zoals aan de kust in de duinen, maar ingekwartierd in de directe omgeving en mogelijks ook in enkele houten barakken.


Verdediging

Verder was het domein doorsneden door enkele loopgraven, klassiek zoals bij de andere kustbatterijen. Wat deze loopgraven betreft, ook deze zijn perfect terug te vinden bij een opgraving en geven de mogelijkheid tot reconstructie wat het geheel een grote meerwaarde zal geven. Bij de batterij Aachen te Raversijde werden deze sporen ook bewaard.


Observatieposten

De meeste batterijen waren ook uitgerust met één of meerdere observatieposten en een telemeter (voor afstandsbepaling). In het geval van de Pommern hadden dergelijke zaken geen enkel nut, gezien men over lange afstanden landinwaarts vuurde. Vermoedelijk werd men bij het inschieten geholpen door enerzijds vliegtuigen (mogelijks door de I en II Marine Feldfliegerabteilung te Gistel) en anderzijds door de Marine Fesselballon Abteilung die te Gistel-Zevecote gevestigd was. Dit wordt o.a. bevestigd door het feit dat men te Aartrijke deze ballon zeer regelmatig opmerkte toen de Pommern vuurde. Ook de Festungs Luftschiffer Abteilung 29 die in de omgeving van Leffinge lag zal hier vermoedelijk een rol in gespeeld hebben. In 1918 was er ook een Fesselballon Abteilung of een Festungs Luftschiffer Abteilung gestationeerd te Bovekerke.


Rookpotten

Gezien men van beide zijden elkaar zat te observeren vanuit observatieposten (meestal kerktorens of wat er van overbleef) en anderzijds ballons, zou men normalerwijze van Geallieerde zijde ook kunnen zien van waaruit deze stukken vuurden, vanwege de enorme steekvlam bij het afschieten van het stuk. Om dit te voorkomen maakte men gebruik van zogenaamde rookpotten. Deze werden meestal in een cirkel rond de batterij gezet, zodat men bijna ten alle tijde kon onzichtbaar blijven voor Geallieerde observaties. Dit werd door de Duitsers ‘Rauchverschleierung genoemd. Er werd meestal doch niet altijd gebruik gemaakt van twee soorten rookpotten, omdat deze een meer natuurlijke indruk maakten. Het ging hier enerzijds om ronde vaten die voor een chemische reactie bestemd waren door zuur op kalk te gieten, wat voor een witte nevel zorgde en anderzijds om vierkante bakken waarin een nevenproduct van pek zat om te verbranden en die een zwarte rook gaven. Uit oorlogsverslagen blijkt dat men te Aartrijke deze rook zeer regelmatig opmerkte toen de wind goed zat. Deze rookpotten zouden o.a. opgesteld geweest zijn op Hovaere, ‘t Dijkje en de Walletjes.


Luchtafweer


Verder waren de meeste batterijen en dus ook de Pommern beschermd door luchtafweer. Er stonden enkele stukken in de omgeving van de Pommern en op en rond het vliegveld te Gistel. Deze stukken maakten deel uit van de zogenaamde ‘Flakgruppe West’ die hun hoofdkwartier hadden te Gistel en onder het bevel stonden van Kap.lt.d.R. Reymann. In totaal waren er ook veertien MG standen rondom de batterij, aldus het officiële Arbeitsbericht van de maand januari 1918.

Vliegeenheden

Tevens genoot men luchtbescherming door de talrijke vliegeenheden van het Marinekorps. Gezien de I en II Marine Feldfliegerabteilung die te Gistel gestationeerd zijn geweest (echter niet samen) zich meer bezighielden men bombarderen en observatie en verkenning, zal dit meer de taak geweest zijn van de Marine Jagdgruppe en meer specifiek van de II en later (april 18) ook van de I Marine Feldjagdstaffel die te Snellegem gevestigd waren en onder het bevel stonden van 2 bekende luchtazen, respectievelijk Lt.d.R. Theo Osterkamp (32 overwinningen) en Gotthard Sachsenberg (31 overwinningen). Deze laatste was tevens commandant van de Marine Jagdgruppe die op het einde van de oorlog 5 Jagdstaffeln telde. Ook de andere Jagdstaffeln die in de omgeving gestationeerd waren, droegen automatisch bij tot de bescherming van de batterij.


Trivia

Tenslotte dienen we nog te vermelden dat heel wat batterijen hun eigen moestuintje hadden en vaak nog beschikten over wat pluimvee. Of dit ook bij de Pommern het geval was hebben wij niet kunnen achterhalen.

Geschiedenis


De bouw

De batterij Pommern was dus een onderdeel van dit Marinekorps Flandern, alhoewel vermeld dient te worden dat ze niet meer gelegen was in het grondgebied van de II Marinedivision of van het Marinekorps Flandern.

Ze was net zoals de Deutschland een onderdeel van de Artillerieabschnitt Ostende-West, bemand door het 2 Matrosen Artillerie Regiment met als hoofdkwartier Oostende olv Kap.z.S. Soffner.

De batterij hoorde specifiek hieronder bij de Fernkampfgruppe Ostende-West olv Korv. Kap. Duassowski.

Bevelhebbers van de batterij Pommern zelf waren achtereenvolgens Kap.lt.d.R. Breutz, Kap.lt.d.R. Rifstahl, Oblt.d.R. Bahlsen en Lt.d.R. Christian.

De bezetting van de batterij bestond uit een totaal van 52 marine artilleristen, onderofficieren en officieren.

Dit ligt nogal in contradictie met een aantal Geallieerde rapporten van na de oorlog die beweerden dat de batterij oorspronkelijk een personeelsbestand had van één kapitein, twee luitenanten, tien onderofficieren en honderd zestig manschappen. Nadat er elektriciteit lag zegt de Franse generaal Arnoulde had men nog steeds drie officieren, vijf of zes onderofficieren en zeventig manschappen nodig. Dus waren er negentig manschappen nodig volgens hem om aan het wiel te draaien om het kanon in zijn gewenste elevatie te brengen. In feite gaat het hier al om de naoorlogse propagandamolen die al volop aan het draaien was.

Vergeten we niet dat ter vergelijking een vergelijkbaar 38 cm kaliber op de Britse schepen van de Vanguard klasse, in een toren met twee dergelijke kanonnen bediend werd door 83 manschappen, onderofficieren en officieren. Dus zou iedere Britse zeeman gelijk geweest zijn aan twee Duitse. Klinkt natuurlijk mooi, maar doet je de vraag stellen waarom het dan zo lang duurde om de Duitsers te overwinnen op het front, terwijl ze met zo veel minder manschappen waren...

In alle Duitse beschrijvingen wordt de batterij gelokaliseerd te Moere, meer specifiek in het park van Moere. Dit is vermoedelijk geen fout, maar waarschijnlijk een Duitse gebiedsuitbreiding van deze plaats tijdens de oorlog zelf om administratieve redenen (de Kommandantur van Gistel was nabij gelegen en lag in het gebied van het Marinekorps). Hierover is tot op heden nog niets met zekerheid teruggevonden.

Wat Koekelare zelf betreft, dit was niet bezet door eenheden van het Marinekorps Flandern, maar door andere onderdelen van het Duitse IVe Leger. Zo vinden we er o.a. de volgende eenheden terug : de 20ste Landwehr Division en Pionier Regiment 25, o.l.v. Hauptmann Lakemeyer. Deze laatste was een tijdlang ortskommandant, die te Koekelare diverse verordeningen deed uithangen over de meest diverse onderwerpen, vooral met betrekking tot zaken die moesten ingeleverd worden, prijsbepalingen en de landbouw

De bouw van deze batterijen werd meestal uitgevoerd door ofwel privé firma’s uit Duitsland of wel door o.a. het 124ste Armierungsbataillon, die in dienst was van het Marinekorps Flandern. Wat arbeiders betrof maakte men gebruik van opgeeiste Belgische arbeiders en in enkele gevallen zelfs ook van Russische krijgsgevangenen. Er is sprake van een 100 tal arbeiders voor de bouw van de batterij Pommern.

Het feit dat er reeds vanaf 12 juli 1915 betalingen gebeurden door gemeentelijke overheden (gemeente Eernegem) aan spoorwegarbeiders (genoemd sluitboomwachters) wijst niet in de richting van de aanleg van een nieuwe spoorweg zoals bepaalde bronnen opperen, maar enkel op het feit dat de Duitsers naast het Belgisch personeel ook Duits personeel aanstelden ter controle van deze eersten. Deze betalingen gebeurden blijkbaar tot 17 september 1918. Het aanstellen van Duits personeel naast Belgen, was trouwens ook gebruikelijk bij tal van andere openbare diensten (bvb. de posterijen).

De werken voor de aanleg van een spoorwegaftakking uit Eernegem schijnen reeds in mei 1916 bezig geweest te zijn. Bepaalde bronnen zien ook dit als het startschot voor de aanleg van de batterij Pommern. Niets wijst er echter op of dit reeds met de bedoeling was een spoor aan te leggen naar de Leugenboom, mogelijks was het enkel de bedoeling een site aan te leggen voor spoorweggeschut of een verbinding tussen andere spoorwegen. Er werd in ieder geval o.a. een rangeersite aangelegd nabij de hoeve Het Hooge Huis en het station van Eernegem en van daaruit liep een aftakking van de spoorweg Torhout- Oostende naar een spoorweggeschutstelling te Koekelare. Naar Oostende op, was een aftakking die later naar de Leugenboom en de Riethoek liep, maar deze kende ook twee andere aftakkingen vroeger op het traject, nabij de baan Torhout-Oostende.

Volgens Vice Admiraal Jacobsen begonnen de eigenlijke werken op de Leugenboom trouwens pas op 15 oktober 1916.

Volgens Duitse bronnen was de batterij gevechtsklaar op 15 mei 1917. Andere Belgisch bronnen spreken dit dan weer tegen en beweren dat de affuit op 25 mei weliswaar reeds geplaatst zou geweest zijn, maar dat het stuk nog niet schiet klaar was. Dat het stuk nog niet klaar was durven wij echter sterk te betwijfelen, gezien het feit dat men na de plaatsing van het pantser e.d. meer nog tal van betonwerken diende uit te voeren, waaronder het maken van de bovenste rand van de geschutsbedding en er op 27 juni voor het eerst kon gevuurd worden.


De batterij wordt ontdekt

Op 7 mei 1917 nam de Belgische kapitein Jaumotte tijdens een verkenningsvlucht een foto van de batterij. Men kon er duidelijk de aftakking van de spoorweg op waarnemen en de werken in uitvoering.

De Belgen reageerden in ieder geval onmiddellijk en bekwamen van het 36ste Franse legerkorps die ook op het Belgisch front opereerde twee stuks spoorweggeschut, zgn. ALVF’s (Artillerie Lourde sur Voie Ferrée). Het betrof hier 305 mm marinekanonnen. Eerst werd een plaats uitgezocht en daarna de spoorwegbedding versterkt.

Op 13 mei stonden de stukken reeds klaar, doch het weer was spelbreker. Men diende uiteindelijk nog te wachten tot 20 mei vooraleer men betere weersomstandigheden had. Eerst vuurden een ander geallieerd 240 mm stuk van ten oosten van de Burg molen naar de Duitse observatiepost in de toren van de kerk van Esen en toen deze toren gedeeltelijk vernield was, kon men rond 11 uur beginnen met de beschieting vanuit Eggewaertskapelle op de Pommern batterij die van Geallieerde zijde Leugenboom gedoopt werd. Het vuren op de kerktoren van Esen werd hernomen. Ook de Tirpitz batterij werd op hetzelfde moment beschoten vanuit Koksijde bad, eveneens door twee stukken van 305 mm. Het observeren van de beschietingen gebeurde zowel van op het land als uit de lucht.

Ook de volgende dagen gingen de beschietingen door als het weer een beetje meezat voor de observatie. Groot was dan ook de verbazing toen men na een nieuwe luchtverkenning op 25 mei bemerkte dat de batterij zelfs geen krasje had opgelopen.

De Belgen begonnen al vlug te beseffen dat zij binnenkort een Duitse reactie zouden mogen verwachten en er werden dan ook vlug vier reservestellingen voor het spoorweggeschut aangelegd waarvan twee te Eggewaertskapelle en één aan het station van de Moerhoek en één bij Izenberge. Voor de volgende beschietingen werden vermoedelijk afwisselend deze stellingen gebruikt, feit is in ieder geval dat de stukken er afwisselend werden opgesteld.

De Pommern in gebruik

Zoals reeds vermeld begon men op 27 juni te vuren tussen 5 en 10 uur en de eerste doelen waren Duinkerke die 44 kilometer verder gelegen was en Malo-les-Bains. Op deze laatste plaats raakte men het hoofdkwartier van het XVe Britse Korps die in het casino aldaar gevestigd was, wat elf doden en dertien gewonden aldaar gaf. Van een gelukstreffer gesproken ! En dat op de eerste dag. Een soldatenverhaal wil nog steeds dat dit gebeurde met het eerste schot van de Pommern batterij. Dit staat geschiedkundig echter in het geheel niet vast. Feit zou wel zijn dat men eerst op Malo-les-Bains vuurde en daarna pas op Duinkerke. Bepaalde bronnen vermelden tevens nog dat op die dag niet minder dan 47 keer gevuurd werd door de Pommern, met een interval van ongeveer 8 minuten gemiddeld.

In juli had men het voorzien op Veurne, Duinkerke, Kosijde, Forthem en Alveringem. Gezien de bombardementen op Duinkerke riskeerden zeer frequent te worden besloot men op 19 juli van Geallieerde zijde om twee telefoonlijnen te leggen tussen Duinkerke en het observatorium in het station van Pervijze, teneinde zo vlug mogelijk gewaarschuwd te kunnen worden en alarm te geven in de stad. Dit gebeurde door middel van sirenes en andere alarmsignalen. Dit moest de bevolking en soldaten de kans geven om te schuilen in een reeks betonnen schuilplaatsen die hiervoor speciaal gebouwd werden.

Bepaalde Belgische bronnen uit bezet gebied vermelden dat tijdens de maand juli de tegenbatterijen zeker één keer het vuur openden. We hebben dit echter niet bevestigd gezien tot op heden en er ook geen precieze datum voor gevonden.

De aangelegde telefoonlijnen waren zeker geen luxe want op 4 september was het opnieuw Duinkerke, alsook op de 23ste, doch dit keer openden de tegenbatterijen opnieuw het vuur en slaagden er weliswaar in talrijke inslagen te plaatsen op het terrein van de batterij, doch zonder erg voor het stuk zelf, gezien men ‘s avonds het vuren hernam naar Duinkerke. Ook de 25ste vuurde men opnieuw naar Duinkerke en de volgende nacht zond men zelfs vliegtuigen uit om het resultaat ervan te gaan bekijken.

In september 1917 kreeg men echter ook tegenvuur te verwerken en op de 11e sloegen 6 obussen in op het terrein, zonder echter voor schade te zorgen. De 24e deden de Geallieerden het nog eens over maar op een grotere schaal. Niet minder dan 36 stuks vielen in de omgeving van de batterij !

Soms vuurde men geruime tijd niet. Het schijnt zelfs dat er een interval zou geweest zijn in 1917 van één en twee maanden, wat de valse hoop wekte dat de beschietingen door de tegenbatterijen succesvol geweest waren en men het stuk uitgeschakeld had. Niets was echter minder waar.

Ook in 1918 werd per moment bijna dagelijks door de Pommern gevuurd. Duinkerke was meestal doch niet altijd het doelwit. In mei en juni bvb had men het vooral voorzien op Klein-Leysele en op 27 september op Bergues.

In de maand april bouwde men een Wachstube en werd ook gewerkt aan een Fliegerschutznetzes, een camouflagenet dus. Op sommige Belgische observatiefoto’s is dit net inderdaad te zien boven de geschutsbedding van de Pommern.

De Pommern tijdens de oorlog.
Enlarge
De Pommern tijdens de oorlog.

In de maand januari was het zeker kalm, want er werd in totaal slechts zes keer door de batterij gevuurd. Men was enkel op 25 januari actief. Het vuren begon om 23.45 uur en eindigde om 00.33 uur. Het inschieten gebeurde met behulp van een vliegtuig van de II Kustenflieger Abteilung, maar men kampte hierbij blijkbaar met een technisch probleem. Enerzijds werden de boodschappen gestoord door Duinkerke zelf en blijkbaar was er ook enige verwarring met een andere toestel. In het rapport werd dan ook duidelijk de vraag gesteld of het niet beter zou zijn dat er geen andere waarnemingen doorgegeven werden naar grondstations door meer dan één vliegtuig als de Pommern actief was. Duidelijk is ook dat het vuren niet zeer juist was. In dit rapport vernemen we ook voor het eerst dat het geschut in een hoek van 50,7 ° stond om te vuren op Duinkerke.

Gedurende de maand februari werd zelfs in het geheel geen activiteit waargenomen. Ook de maandelijkse munitieverbruik lijsten bevestigen dit. In maart sloeg de situatie echter weer volledig om en werd niet minder dan 105 keer gevuurd !

Op 21 maart had men het gemunt op het treinstation ten zuiden van Bergues. Het vuren begon om 05.00 uur en duurde tot middernacht. Er werd echter slechts 19 keer geschoten, maar het is wel zo dat het artillerievliegtuig om 15 uur meldde dat het vuur goed lag op het doel.

De volgende dag ging het schieten verder op dit doelwit. Er werd 14 gevuurd en in de namiddag lag tussen 15.15 uur en 17.54 de batterij Pommern zelf onder vuur door de twee tegenbatterijen. Niet minder dan tussen 36 en 38 inslagen werden genoteerd in de omgeving. Men werd hierbij ook bijgestaan door een vliegtuig die echter verjaagd werd door de Flak. Tevens werd de beneveling in werking gesteld. Wel werd één van de manschappen van de Nebeltrupp licht gewond. Er was geen enkele materiele schade te noteren.

In een ander rapport lezen we dat er blijkbaar meerdere vijandelijke vliegtuigen in de lucht waren. Kort voor het schieten begon werden twee vijandelijke observatievliegtuigen waargenomen door een Flakgruppe, die ook nog eens begeleid werden door vijf jachtvliegtuigen. Het schijnt dat vanwege het zware werk van de Flak deze toestellen zich slechts heel even boven de batterij konden vertonen en dat alles inmiddels ook volledig verneveld was.

Ook de 23ste ging het vuren verder. Er werd nog zeven keer gevuurd op het station van Bergues en daarna schakelde men over van doelwit op Duinkerke. De vuurbegeleiding gebeurde dit keer door een fesselballon die meldde dat het vuur goed lag. In totaal werd acht keer op de Franse stad gevuurd. Tussen 18.20 uur en 18.45 uur werden zeven schoten afgevuurd op de Pommern door een tegenbatterij. De batterij werd direct beneveld en de positie van de tegenbatterij kon niet waargenomen worden. Niemand werd gewond en er was ook geen enkele zaakschade.

De dag daarop vuurde men elf keer op dezelfde coördinaten verder, zonder enige vuurbegeleiding. Vanaf 13.07 werd gevuurd op de beide doelen van de laatste dagen t.t.z. Bergues en Duinkerke. Twee keer op Bergues en vier keer op Duinkerke. Van dit laatste doelwit meldde een vliegtuig dat er een treffer was op Mole V en dat het er meer dan een uur gebrand had. Vanaf 13.20 tot 14.10 uur werd de Pommern ook zes keer onder vuur genomen van een tegenbatterij, doch zonder enige schade of verliezen.

Op 25 maart schoot men verder naar Duinkerke. Blijkbaar gebeurde dit ‘s nachts want men stopte met vuren om 04.51 uur. Drie keer was Duinkerke geraakt en één keer Bergues. Vanaf 14.05 uur herbegon het vuren en schoot men nog vier keer op Bergues en vijf keer op Duinkerke. Te Bergues was het één keer raak volgens Messtrup 19 en te Duinkerke lag het vuren volledig op doel. Dit keer geen vuur van de tegenbatterijen.

Ook de 26e deed men verder en werd acht keer gevuurd tot 05.25 uur ‘s ochtends op Duinkerke. Om 12.57 uur herbegon het vuren, eerst vier keer op Bergues en zes keer op Duinkerke en men staakte het vuren om 19.13 uur die dag. Bijstand werd verleend door Fesselballonzug 134. Om 15.43 opende een tegenbatterij het vuur. Vijf inslagen volgden zonder echter enige schade toe te brengen. Men probeerde het inschieten vanuit de lucht te begeleiden, doch de batterij werd prompt beneveld. Om 16.18 uur gaven de Geallieerden het op. Om 22.47 uur vuur de Pommern nog twee maal naar Duinkerke. Het observatievliegtuig meldde dat het tweede schot doel trof.

Ook na middernacht was men nog actief. Tot 04.55 uur werd nog zeven keer op de stad geschoten zonder gebruik te maken van observatie uit de lucht. Ook de tegenbatterijen zwegen verder.


In een apart rapport vernemen we echter ook nog één en ander over blindgangers. Op de 22ste telde men er vier. De volgende dagen waren er geen verdere problemen meer vastgesteld. Bijzonder leuk om te vinden was een kaartje van de batterij en haar omgeving, waarop de inslagen van het vuren van de tegenbatterij te vinden zijn. Een uitzonderlijk te vinden document die we hierbij dan ook afdrukken.

In april tellen we een totaal van 59 afgevuurde granaten. Er zijn spijtig genoeg geen aparte rapporten te vinden over wanneer er precies gevuurd werd door de batterij en op welk doelwit.

In de maand mei zakte dit opnieuw naar slechts 19 afgevuurde granaten en in juni nog verder naar 15.

De laatste maanden

Voor de maand mei vonden we nog een rapport over een aanval uit de lucht op de batterij. Op 22 mei om 00.15 uur beschoten de MG’s van de Pommern een vijandelijk toestel die op een hoogte vloog van ongeveer 3 tot 400 meter en richting van het front. De MG stand werd bestookt met brandmunitie en er werd ook een handbom afgeworpen die echter niet ontplofte. Een der MG’s had blijkbaar een probleem en het kwam tot een kleine detonatie intern. Niemand raakte echter gewond. Om 01.10 uur werden weer twee vijandelijke toestellen bestookt die van Brugge kwamen en over de batterij vlogen op een 300 meter hoogte. Ook zij schoten terug met brandmunitie. Om 2.10 uur was er opnieuw een vijandelijk vliegtuig boven de batterij op 500 meter hoogte deze keer die ook prompt onder vuur genomen werd en die blijkbaar omstreeks 03.00 uur opnieuw in de omgeving opdook, om opnieuw beschoten te worden. Het toestel verkoos nu het hazepad te nemen en had het vuur ook nooit beantwoord.

Op 28 mei vonden we een allerlaatste gevechtsrapport van de Pommern. Die dag kreeg men het bevel om te vuren op het doelwit De Hand. Er werd zes keer gevuurd. Het eerste schot was 375 meter te ver en 250 meter teveel naar links. Er werd een voltreffer geplaatst in het treinstation, ééntje nabij het rangeerstation en ééntje trof de hoofdweg naast het station. Er werd geen tegenvuur genoteerd.

Op 16 oktober om 2 u 40 minuten staakte de batterij het vuren. Men probeerde het stuk voor de terugtrekking nog te vernietigen. Men zou dit proberen door de batterij in een 0° elevatie te plaatsen en te doen vuren. Men ging er namelijk vanuit dat, gelet op de betonnen kraag net buiten de monding van het stuk, men bij het vuren het projectiel zou kunnen doen ontploffen toen dit hiermee in contact kwam, terwijl het nog niet volledig uit de affuit was, en zo de affuit kon vernielen. Dit was echter buiten de kracht van het stuk gerekend, want het projectiel ging dwarsdoor de betonnen muur en ontplofte een goede 800 meter verder zonder enige echte schade tot gevolg.


Mythen en vragen

Op deze wijze viel het stuk intact in Geallieerde handen op 17 oktober 1918. Het verhaal dat de Belgen het stuk beschoten hadden en buiten gebruik hadden gesteld of dat het veroverd werd in het gevecht deed sterk de ronde in de streek doch was volledig uit de lucht gegrepen. De realiteit was zeker niet zo heldhaftig.

De batterijen van de Predikboom (baan Diksmuide-Poelkapelle) en de Leugenboom samen voerden 32 bombardementen uit op Duinkerke, wat neerkwam op een totaal van 411 obussen van 38 cm die op de stad neerkwamen en daarbij 114 doden en 185 gewonden nalieten. Volledigheidshalve dienen we te vermelden dat andere bronnen spreken van een totaal van 444 obussen, waarvan 325 door de Leugenboom en 119 door de Predikboom

Een nog groter mysterie was de plaatsnaam waar de batterijen stonden. Gaat het hier om Geallieerde benamingen die later overgenomen werden ter plaatse of gaat het om oudere benamingen ? Zo ja, is dit meer dan een toeval dat beide namen op ‘boom’ eindigen ?

Het is raar, maar waar, een zuiver toeval blijkbaar dat beide plaatsnamen op -boom eindigen. Een zoektocht leerde ons dat de naam Leugenboom zeker reeds bekend was in 1439 en later ook de benaming van een herberg was. Andere verwijzingen omtrent namen met Leugenboom zijn ook Leugenboom-duiker (1846), Leugenboomstraat (1699), Leugenboom-streepken (1552), Leugenboomwegel (1846) en Leugenbrugge (+/- 1750). Wat de Predikboom betreft is de eerste vermelding in 1537 te vinden. Het betrof hier een herberg en brouwerij te Klerken.

Het gros van de afgevuurde projectielen op Duinkerke was dus afkomstig van de Pommern. Te vermelden valt ook dat een aantal afgevuurde projectielen niet ontploften en dienden uitgegraven te worden in Duinkerken, gezien het nog altijd een soort tijdbommen bleven.

Aan te stippen valt ook nog dat in de directe omgeving van de Batterij Pommern ook nog verscheidene plaatsen waren of voorzien waren om spoorweggeschut neer te plaatsen en die in feite aftakkingen waren van bestaande spoorlijnen. Dit halen wij uit een Belgische bron van 21 september 1918, dus van kort voor de bevrijding waarvan hier de gegevens volgen :

Zo stonden twee stukken van 15 cm te Zevecote, één stuk van 15 cm te Zevecote, op een aftakking van net voor de Pommern die liep naar de Riethoek was ook een dergelijke voorziening maar deze werd niet gebruikt. Op het stuk spoorweg tussen Ichtegem en Koekelare stond een 24 cm stuk. Er worden ook dergelijke stukken gesitueerd te Kortewilde, op de Ruidenberg en twee nabij Staden. Een stuk van onbekend kaliber stond nabij de Koutermolen te Kortemark.

Merken we even op, dat wat het kaliber 24 cm betreft, we hier de nodige vraagtekens bijplaatsen. Vermoedelijk ging het hier deels om 21 en 28 cm geschut, die klassiek gebruikt werd voor spoorweggeschut.


De Pommern batterij na de oorlog


Na de oorlog trok de batterij Pommern nog heel wat kijklustigen en deed dan ook nog geruime tijd dienst als toeristentrekker voor het fronttoerisme. In verhouding met de meeste andere batterijen die eind jaren 20 of in de beginjaren 30 werden verschroot zou de Pommern een langer leven beschoren zijn.

Duizenden Belgen, Fransen, Engelsen, Amerikanen, Duitsers en zelfs Polen (recent ontvingen wij een foto van Lange Max uit Polen !) en andere nationaliteiten bezochten de welbekende site, die zelfs op heden nog een ruime naambekendheid geniet. De inkomsten (entreegelden) waren ten voordele van de oorlogsinvaliden, doch de aangestelde voor de site, had wel een percentage op alle inkomsten en ook op de toenmalige ‘merchandising’ zoals postkaarten, kantwerk, plaketten, spelden en boekjes. Aan de kassa zaten de oorlogsinvaliden en broers Emiel en Henri Staelens. Gids hier was Alois Demoen, groot oorlogsinvalide (hij verloor namelijk een been tijdens de oorlog), drager van een ganse reeks militaire onderscheidingen, die bestendig instond voor alle uitleg en begeleiding. Hij stierf op 20 september 1977.


Hoog bezoek

Onder de vele personaliteiten die er mochten verwelkomd worden vermelden we toch even de Amerikaanse president Woodrow Wilson, Groot Brittanie’s latere premier Winston Churchill, onze eigen koning Albert I, de Britse koning George V en de Japanse kroonprins Hirohito (en keizer tijdens de Tweede Wereldoorlog).

Het stuk zelf werd tijdens de Tweede Wereldoorlog door de Duitsers weggehaald die een hoge nood hadden aan ertsen. Van dit feit zijn foto’s bewaard gebleven te Koekelare, en we hebben het grote geluk gehad deze te kunnen ontdekken en hierbij te publiceren. In 1941 werden kanon en toren respectievelijk gerecupereerd en gedynamiteerd en de resten werden naar Duitsland afgevoerd voor ‘recyclage’.

De rest van het complex werd tussen de jaren 1953 en 1956 verder afgebroken en het beton werd gebruikt ter verharding van tal van Koekelaarse (landbouw)wegen. De put werd opgevuld met de rest van het afbraakmateriaal en aarde. Het werd een weide, waar niets meer liet vermoeden van de aanwezigheid van Lange Max, met uitzondering van een lichte glooiing waar ooit de berm achter de batterij lag en een betonnen waterbak, die als wasbak dienst deed en nu als drinkbak voor de koeien. Het zou zo blijven tot in 1997, bij de herontdekking van de resten van de geschutsbedding. Tijdens de Paasvakantie van 2002 werden de resten van de bedding dan uiteindelijk volledig uitgegraven. Dit heeft aangetoond dat er zeer zware schade is en de geschutsbedding voor een groot deel verdwenen is. Zo zijn de twee bunkers in de geschutsbedding volledig verdwenen, enkel de grondplaat rest nog. Ook het onderste van de bedding zelf is deels beschadigd. De bovenste betonnen rand van de bedding is volledig verdwenen. Aan de linkerzijde is het voornaamste restant te zien, die nog een duidelijkbeeld geeft van hoe het was. De achterzijde is quasi volledig verdwenen en de rechterzijde bestaat nog voor de kleine helft.

Vandaag

Lange Max Museum

Op de site 'Lange Max', gelegen in de Clevenstraat 2 te Koekelare is een gloednieuw museum te bezichtigen genaamd Lange Max Museum of kortweg LMM. Het museum werd geopend eind oktober 2014. Voor het museum werd nieuw onderzoek gestart naar Batterij Pommern en omgeving, onafhankelijk van de auteur J. Reyheul, met als resultaat soms tegenstrijdige of aanvullende gegevens over deze basistekst. Wie de Ijzerfrontroute, een toeristische autoroute, met de wagen volgt komt ook onderweg het museum tegen als stopplaats.

Bronnen

Lange Max Museum Basistekst, mits aanpassingen door gebruikers aan deze Wikipedia-pagina, is beschikbaar gesteld door de auteur van het boek "Het Duits 38 cm geschut ‘Lange’ Max" : Johan Reyheul.

Personal tools