Forum Eerste Wereldoorlog Forum Index Forum Eerste Wereldoorlog
Hét WO1-forum voor Nederland en Vlaanderen
 
 FAQFAQ   ZoekenZoeken   GebruikerslijstGebruikerslijst   WikiWiki   RegistreerRegistreer 
 ProfielProfiel   Log in om je privé berichten te bekijkenLog in om je privé berichten te bekijken   InloggenInloggen   Actieve TopicsActieve Topics 

Scriptie Eerste Wereldoorlog

 
Plaats nieuw bericht   Plaats Reactie    Forum Eerste Wereldoorlog Forum Index -> Het Britse Leger en de Commonwealth eenheden Actieve Topics
Vorige onderwerp :: Volgende onderwerp  
Auteur Bericht
Arjen87



Geregistreerd op: 18-4-2011
Berichten: 40
Woonplaats: Stad aan't Haringvliet

BerichtGeplaatst: 26 Mei 2011 17:22    Onderwerp: Mijn scriptie Reageer met quote



Enthousiasme en vastberadenheid van Britse burgers en soldaten tijdens de Eerste Wereldoorlog


Inhoudsopgave

Vakinhoudelijk deel:
Inleiding.………………………………………………………….. 3

Hoofdstuk 1: Hoe komen we iets te weten over de motivatie van Britse soldaten en burgers in de Eerste Wereldoorlog?…………………… …...6

Hoofdstuk 2: Waarom hebben Britse burgers zich vrijwillig aangemeld voor de oorlog?………………………………………………… ………9

Hoofdstuk 3: Waarom bleven de soldaten doorvechten?… ……20

Hoofdstuk 4: De conclusie ……………………………………………………… ……28


Enthousiasme en vastberadenheid van Britse burgers en soldaten tijdens de Eerste Wereldoorlog.


Inleiding
De Eerste Wereldoorlog (1914-1918) wordt herinnerd als een zinloze oorlog. Een oorlog met grote gevolgen voor met name het Europese continent. De miljoenen gesneuvelde soldaten waren het slachtoffer van de idealen en verkeerde beslissingen van de legerleiding. Verblind door nationalisme vertrokken de soldaten vrijwillig naar de slachtbank. De argeloze mannen wisten niet wat hen te wachten stond en dachten voor kerstmis thuis te kunnen zijn. Bij het front aangekomen werden ze het niemandsland ingestuurd om daar gedecimeerd te worden door de mitrailleurs van de vijand. Op deze manier ging een hele generatie van talentvolle jongens verloren.
Dit is het beeld dat veel mensen van de oorlog hebben en dit is ook hoe de oorlog in de schoolboeken gepresenteerd wordt. Maar klopt dit beeld eigenlijk wel? Voor welke ideeën vochten de soldaten eigenlijk? Vochten ze enkel en alleen, omdat hun leiders ze dat opgedragen hadden? Mijns inziens was de werkelijkheid complexer en verdient de vraag naar de motivatie van de soldaten meer aandacht. Ik zal mij in dit stuk met deze vraag gaan bezighouden, voor zover die betrekking heeft op Britse oorlogsvrijwilligers.
Dit bracht mij tot de volgende hoofdvraag:
‘’Wat is de motivatie voor de burgers van het Britse imperium om zich voor de oorlog aan te melden en door te vechten?’’

Mijn onderzoek is te verdelen in de volgende deelvragen:
• Hoe komen we iets te weten over de motivatie van Britse soldaten en burgers in de Eerste Wereldoorlog?
• Waarom hebben Britse burgers zich vrijwillig aangemeld voor de oorlog?
• Wat is de verklaring voor het feit dat de soldaten het volhielden in de loopgraven en door bleven vechten?

Wat weten we daadwerkelijk over de motivatie van de soldaten? En hoe denken we daar achter te komen? In welk bronmateriaal zijn de antwoorden hierop te vinden? Zijn de antwoorden te vinden in de overleveringen van de soldaten of zijn ze terug te vinden in historische werken over de Eerste Wereldoorlog?

Deze vragen wil ik beantwoorden in het eerste hoofdstuk van mijn scriptie. Zo hoop ik uit te zoeken waar de soldaten hun motivatie vandaan haalden.

Dit onderwerp is interessant, omdat veel oude en ook recente literatuur niet veel aandacht besteedt aan dit onderwerp.
In mijn tweede deelvraag onderzoek ik waarom de soldaten zich vrijwillig aanmeldden. Wat was de motivatie voor de soldaten om bij een oorlog betrokken te raken? Waren ze zo dol enthousiast zoals veel literatuur en schoolmethoden doen vermoeden? We gaan er immers ondertussen bijna blindelings van uit dat iedereen in 1914 enthousiast was over de oorlog. Ik denk echter dat hier veel nuances in aan te brengen zijn.
Als laatste richt ik me op de vraag, waarom de soldaat door bleef vechten?
De ellende van de oorlog die niet wilde ophouden, maar wel honderdduizenden slachtoffers maakte, moest toch leiden tot oorlogsmoeheid? Waar haalden die soldaten de motivatie vandaan, om toch maar door te vechten? Door een antwoord te vinden op deze vragen probeer ik de soldaten van toen beter te begrijpen.
Om dit thema af te bakenen heb ik voor de Britse soldaat gekozen. ‘’De’’ Britse soldaat zelf bestaat uiteraard niet. Het Britse leger was te verdelen in een aantal groepen.
Allereerst waren er de beroepssoldaten, de British Expeditionary Force, vechten was hun beroep. Daarnaast was er het territoriale leger, een vrijwilligersleger dat al bestond vanaf 1908. Zij waren de zogenaamde zaterdagmiddagsoldaten. Ook was er Kitcheners nieuwe leger, een vrijwilligersleger waar men zich aan het begin van de oorlog voor op kon geven. De laatste groep uit het Britse leger bestaat uit dienstplichtigen. In 1916 werd ook in Groot-Brittannië de dienstplicht ingevoerd. De Britten zijn hierin uniek, de andere legers voeren de dienstplicht namelijk al in 1914 in.

Dit maakt het Britse leger interessanter, dan de andere belligerente naties. Het is daarom dat mijn onderzoek zich beperkt tot het Britse leger. Dit onderzoek is het vakinhoudelijk deel van het verslag. Hierna volgt een vakdidactisch deel. In dit deel onderzoek ik op welke manier schoolmethoden gebruik maken van bronnen. Ik zal in dit deel nader ingaan op het gebruik van bronnen door schoolmethoden binnen het thema ‘’De Eerste Wereldoorlog.’’

Arjen Diepenhorst
Stad aan’t Haringvliet, Juli 2010


Hoofdstuk 1:
Hoe komen we iets te weten over de motivatie van Britse soldaten en burgers in de Eerste Wereldoorlog?
Dit hoofdstuk is onderverdeeld in een inleiding en drie deelonderwerpen. In mijn inleiding schets ik hoe de Eerste Wereldoorlog door velen wordt gezien. Daarna beschrijf ik een selectie van soldatenmemoires in het eerste deelonderwerp. In het tweede deelonderwerp beschrijf ik de boeken, die gebaseerd zijn op de interviews van de veteranen. Als laatste beschrijf ik een aantal historische werken over de Eerste Wereldoorlog in het derde deelonderwerp. Aan het eind van dit hoofdstuk zal ik mijn bevindingen kort samenvatten.

Inleiding
Het beeld dat mensen van de Eerste Wereldoorlog hebben, is uitgesproken negatief. Dit is niet alleen in Engeland zo, maar dit is een mondiaal beeld. Velen zien de oorlog als een zinloze uitputtingslag. Dit negatieve oorlogsbeeld is met name geschapen in de literatuur en de poëzie. Toonaangevende romans als ‘’Im Westen Nichts Neues’’ (1929) van Erich Maria Remarque en ‘’Le feu’’ (1916) van Henri Barbusse beschreven de verschrikkelijke oorlog. Deze pacifistische schrijvers namen geen blad voor de mond. Remarque en Barbusse toonden hoe het leven aan het front werkelijk was. Ondanks het feit dat Remarque in zijn voorwoord schrijft dat zijn boek geen aanklacht wil zijn tegen de oorlog, is dat het wel degelijk. Uit zijn boek blijkt de zinloosheid van de oorlog. Bij het beeld van een zinloze oorlog hoort een tactiek, die er op gericht is om zoveel mogelijk slachtoffers te maken. Het tegenovergestelde van deze tactiek is de tactiek waarin alles gedaan wordt om het moreel van de vijand te breken. Een vijand dwingen tot desertie, muiterij of overgave werkt wellicht effectiever dan zoveel mogelijk slachtoffers maken.
Het moreel van de soldaten is van groot belang bij het voeren van een oorlog. Daarom is het ook zo interessant om de beweegredenen voor de vrijwillige aanmeldingen in het Britse imperium te bestuderen. De motivatie van de burgers om zich aan te melden en de motivatie om door te blijven vechten zijn onderwerpen die recentelijk veel aandacht hebben gekregen.
Steeds meer historici twijfelen aan het idee dat de soldaten zich lieten leiden door blind plichtsbesef. In de boeken van deze historici is de informatie die ik zoek te vinden. Zo langzamerhand is er echter zo verschrikkelijk veel informatie over de Eerste Wereldoorlog, dat het moeilijk is om de juiste selectie te maken. Veel van deze informatie gaat bewust of onbewust ook over de motivatie van de Britse soldaten. Deze informatie is niet alleen te vinden in historische werken, maar ook in memoires, interviews, televisieseries, films, literatuur etc.

Memoires
Een aantal soldaten hebben hun belevenissen gedurende de oorlog toevertrouwd aan het papier. Een aantal van deze boeken is gelezen door een groot publiek en heeft grote invloed gehad op het beeld van de Eerste Wereldoorlog. De werken van ex-soldaten als Siegfried Sassoon, Edmund Blunden en Robert Graves zijn wereldberoemd geworden. Hun boeken worden gezien als een aanklacht tegen de oorlog. In deze boeken is tussen de regels door ook veel te lezen over het moreel van de soldaten.

Dit maakt hun boeken bruikbaar voor mijn onderzoek. In mijn onderzoek maak ik bijvoorbeeld gebruik van het boek ‘’Oorlogsgedruis’’ van Edmund Blunden. Het boek van Blunden geeft een goed beeld van hoe hij de oorlog heeft beleefd. Naast het boek van een bekende veteraan als Blunden, maak ik ook gebruik van het boek van de relatief onbekende soldaat Wilfred Cook. Cook schrijft in zijn boek ‘’Men, Horses, Mud and Stew’’ over zijn belevenissen tijdens de Grote Oorlog. Wat het boek van Cook interessant maakt, is dat hij een gewone soldaat was, afkomstig uit een lage klasse. Dit in tegenstelling tot Blunden, Graves en Sassoon die allen officieren waren en afkomstig waren uit een hoge klasse.

Oral History
De verhalen van gewone soldaten zijn ook te vinden in de interviews die gehouden zijn met de veteranen. De Britse historica Lyn Macdonald bijvoorbeeld heeft honderden veteranen geïnterviewd. Ze gebruikte deze interviews in haar boeken. Deze persoonlijke gesprekken hebben Macdonald tot één van de grootste voorvechtsters van de gewone soldaat gemaakt. Haar boeken vormen een protest tegen de officiële geschiedschrijving. Bewust liet zij daarom de gewone soldaten en lage officieren aan het woord. Macdonald vindt dat de soldaten niet voor niets gesneuveld zijn, maar dat ze wel degelijk wisten waarvoor ze vochten. Zij geeft aan dat de motivatie van de soldaten goed was. Volgens Macdonald hadden ze niet doorgevochten, als ze niet wisten waarvoor ze vochten. Zij ziet de motivatie bij de soldaten dus niet als blinde plichtsgetrouwheid.

Ook Max Arthur maakt gebruik van interviews. In zijn boek ‘’Vergeten Stemmen’’ is een selectie van interviews te lezen. Deze interviews zijn afgenomen in 1972 door een team academici en archivarissen van het ‘’Imperial War Museum’’ in Londen. Al deze getuigenissen werden vastgelegd op band. Sommigen van deze banden lagen vervolgens decennia lang ongebruikt op de plank. Ruim dertig jaar later besloot historicus Max Arthur een selectie van deze tapes te gebruiken voor zijn boek.
Zijn boek bestaat dan ook bijna geheel uit bronmateriaal. Dit materiaal bevat de verhalen van de veteranen. Een aantal van deze bronnen maken duidelijk, wat de motivatie was voor gewone burgers om zich aan te melden voor actieve dienst. Andere bronnen beschrijven het leven aan het front en maken duidelijk waarom de soldaten door bleven vechten.

Historici
Daarnaast is er in de laatste twee decennia door historici veel geschreven over de Eerste Wereldoorlog. In deze boeken wordt veel aandacht besteed aan de gewone soldaat. Recent heeft de Britse econoom Niall Ferguson geschreven over de motivatie van de soldaten. Zijn boek, ‘’The pity of war’’ is zeer controversieel en hij trekt opvallende conclusies. Één opvallende conclusie is bijvoorbeeld, dat hij het oorlogsenthousiasme van 1914 en 1915 een mythe noemt. Hij ondersteunt deze opvatting met overtuigend bronmateriaal. Ook schrijft hij over de vraag: ‘’Why men fought?’’ Een ander boeiend werk is het boek ‘’Death’s Men, soldiers of the Great War’’ van de Britse historicus Denis Winter. Winter schrijft uitgebreid over de vrijwillige aanmelding van burgers voor de oorlog in het Britse imperium. Hij toont in zijn boek ook de cijfers. Aan de hand van zijn onderzoek trekt hij een aantal opmerkelijk conclusies. Winter beschrijft bijvoorbeeld dat de soldaten een doodsinstinct ontwikkelden. Instinctief begonnen zij gewend te raken aan de oorlog en lieten ze alle ellende over zich heen komen.
Ik zal dit nader toelichten in het derde hoofdstuk. Een andere Britse historicus die uitweidt over de vrijwilligers van 1914 en 1915 is John Bourne. Hij heeft dit verwerkt in zijn boek ‘’Britain and the Great War.’’ Hij schrijft dat het moreel van de Britse troepen een zeer belangrijke rol speelde tijdens de oorlog. Bourne schrijft duidelijk en verhelderend en is op deze manier een belangrijke bron voor mijn onderzoek.

In het boek ‘’Kitchener Army’’ schrijft Peter Simkins over de problemen van de rekruteringsbureaus gedurende de eerste maanden van de oorlog. Deze Britse historicus publiceerde zijn boek in samenwerking met het Imperial War Museum in Londen. De omschrijving van deze problemen geeft een waardevolle aanvulling aan mijn onderzoek. Deze problemen werden bij mijn weten nooit eerder door historici op een dergelijk uitgebreide manier omschreven.

Deelconclusie
De motivatie van soldaten en burgers voor de oorlog is niet terug te vinden in de literatuur die direct na de oorlog werd geschreven. In deze boeken werd namelijk vooral aandacht besteed aan de zinloze oorlog en niet aan de motivatie van de soldaten. Informatie voor mijn onderzoek is te vinden in memoires, interviews en historische werken. Door deze informatie te combineren, heb ik een antwoord kunnen vinden op mijn hoofd- en deelvragen.

Hoofdstuk 2:
Waarom hebben Britse burgers zich vrijwillig aangemeld voor de oorlog
?

Op 5 augustus 1914 begon de Eerste Wereldoorlog. De bevolking van de belligerente naties leek hier echter niet bedroefd, maar enthousiast op te reageren. In de grote steden van alle oorlogsvoerende landen verzamelden zich grote menigtes op straat om de oorlogsverklaring toe te juichen. Gemobiliseerde regimenten werden op de stations door enorme menigtes toegejuicht. In Engeland stonden honderden jonge mannen in de rij voor de rekruteringbureaus.

Veel bronmateriaal getuigt van de echtheid van deze situatie, genoeg reden dus om aan te nemen dat de oorlog enthousiast werd begroet. Later is zelfs door historici aangenomen dat dit een universele reactie was, maar is dit ook daadwerkelijk zo? Recentelijk is er namelijk veel kritiek gekomen op deze visie.
Nial Ferguson bijvoorbeeld heeft kritiek op het idee dat de hele Britse samenleving enthousiast was over de oorlog. In zijn boek ‘’The pity of war’’ noemt hij het oorlogsenthousiasme van augustus 1914 een mythe. Ferguson haalt de oude visie keihard onderuit in het zevende hoofdstuk (‘’The August days: The myth of war enthusiasm’’) van zijn boek. Dit laat hij beginnen met een citaat uit Hitler’s ‘’Mein Kampf’’. Hierin beschreef Hitler het enthousiasme dat hem overmande in augustus 1914. Hitler kon zijn emoties nauwelijks in bedwang houden en dankte de hemel voor het feit dat hij dit mee mocht maken. Toch is het moeilijk te geloven dat de gevoelens van Hitler in 1914 universeel waren, zo concludeert Ferguson. Ferguson beargumenteert zijn visie met divers bronmateriaal waaruit blijkt dat velen helemaal niet zo enthousiast waren over de oorlog.

Het eerste voorbeeld dat Ferguson geeft is een gesprek tussen de Britse minister van buitenlandse zaken Sir Edward Grey en de Russische ambassadeur tijdens de julicrisis. Grey moest de ambassadeur vertellen dat de publieke opinie in Engeland geen oorlog zou accepteren over een Servische ruzie. Een tweede voorbeeld is de teleurstelling bij diverse politieke leiders aan de vooravond van de grote oorlog. In Engeland waren zowel Grey als de Britse premier Asquith erg bedroefd over het uitbreken van de oorlog.

Daarnaast geeft Ferguson voorbeelden uit de Engelse situatie tijdens de oorlog. In Engeland was er bijvoorbeeld ook een aantal politieke partijen die openlijk kritiek uitten op de oorlog. Eén van die partijen was de Independent Labour Party. Ook in de kranten werden diverse berichten gepubliceerd, waarin forse kritiek werd geleverd op de deelname van Groot-Brittannië aan de oorlog. Vaak hadden deze berichten een cynische ondertoon. De socialistische krant de Herald publiceerde bijvoorbeeld een bericht met de titel ‘’Hurrah for war’’.
Een ander voorbeeld dat Ferguson geeft, is dat veel Britten het geciviliseerde Duitsland niet zagen als een vijand. Volgens deze Britten was het land waar ze echt bang voor moesten zijn het barbaarse Rusland. Deze visie werd vroeger altijd toegeschreven aan een kleine geschoolde elite, maar Ferguson toont aan dat deze visie ook regelmatig in krantenberichten en columns naar voren kwam. Op 3 augustus 1914 bijvoorbeeld schrijft ene Meneer A. Simpson het volgende in de ‘’Yorkshire Post’’: ‘’’Now as to England and Germany. There ought not to be any war between us. Our ties of commerce, ideas and religion are too close and too real to allow any such thing.’’ Even verder op in het artikel verduidelijkt hij zijn visie: ‘’Russia stands for brute force, any dominance by her in European affairs would be a setback for all the ideals of humanity.’’
Deze meneer Simpson had meer angst voor Rusland dan voor Duitsland. Met hem waren er nog meer Britten die vonden dat het niet juist was om een oorlog tegen Duitsland te beginnen.
Als laatste haalt Ferguson aan dat ook de financiële wereld een wereldoorlog niet echt zag zitten. De oorlog zou een financiële chaos teweegbrengen en daardoor zou een economische crisis voortkomen.
Hieruit trekt Ferguson de conclusie dat er in Groot-Brittannië wel sprake was van enig enthousiasme, maar het was niet zo dat men zich daarom vrijwillig de oorlog in liet slepen.
Maar als dit oorlogsenthousiasme zo relatief was, waarom meldden duizenden Britten zich dan toch aan voor de oorlog? In 1923 werden voor het eerst de cijfers van de aanmeldingen gepubliceerd. Hieronder is daar een overzicht van te zien.

Britse aanmeldingen 1914-1915
1914: Augustus 300.000
September 450.000
Oktober 137.000
November 170.000
December 117.000
Totaal: 1.174.000

1915: Januari 156.000
Februari 88.000
Maart 114.000
April 119.000
Mei 135.000
Juni 114.000
Juli 95.000
Augustus 96.000
September 71.000
Oktober 113.000
November 122.000
December 55.000
Totaal: 1.278.000


Op het eerste gezicht lijkt 2,4 miljoen aanmeldingen een groot aantal, maar niet als we beseffen dat het hier gaat om het gehele Britse rijk. Het Britse imperium bestond naast het moederland o.a. uit Canada, Australië, Nieuw Zeeland, Egypte en Zuid-Afrika. Het Britse rijk had op dat moment een bevolking van 400-500 miljoen mensen, een kwart van de toenmalige wereldbevolking.
Historicus Dennis Winter beschrijft in zijn boek ‘’Death’s men’’ waarom het aantal aanmeldingen zo laag bleef. Volgens Winter was het voor de burgers in het Britse rijk niet duidelijk hoe broodnodig zij waren. De mannen in Engeland zouden zich pas aanmelden als ze al hun huiselijke zaken op orde hadden en niet eerder. Het gevoel dat zij nog niet nodig waren, haalden zij uit berichten in de krant. De kranten schreven in de eerste jaren namelijk vrij positief over het leven aan het front. Het leven aan het front zou volgens de berichten zo slecht nog niet zijn.

Een correspondent van de Watson Observer merkte bijvoorbeeld het volgende op: ‘’It would do you good to see our little chaps who were laughing and shouting and chasing the big fellows. You wouldn’t think it was war.’’
De cijfers kunnen ons nog meer vertellen. Zo is te zien dat er in de beginmaanden vrij enthousiast wordt gereageerd, maar dat het aantal aanmeldingen daarna al snel inzakt. Winter legt ook uit waarom er zich nog een aantal pieken voordoen. Als de mannen meer het gevoel kregen dat ze nodig waren, steeg het aantal aanmeldingen. De kleine piek in november 1914 was bijvoorbeeld een reactie op het nieuws over de tragisch verlopen eerste slag bij Ieper. In 1915 zijn weer een aantal van deze opmerkelijke stijgingen te zien. De aanmeldingen in mei waren een reactie op het nieuws van de tweede slag bij Ieper. De stijgingen in oktober en november waren een reactie op het nieuws over de slecht verlopen slag bij Loos.

De foto’s en verhalen, die ons het beeld geven van een patriottistische extase, vormen een werkelijkheid die gecreëerd is door de pers. De bekende foto’s van de ellenlange rijen voor de rekruteringsbureaus zijn niet ontstaan als een gevolg van het enorm aantal enthousiaste mannen, maar zijn een gevolg van het summiere aantal rekruteringscentra. Dennis Winter is van mening dat op deze manier het enthousiasme groter leek dan het in werkelijkheid was. De problemen bij de rekruteringbureaus, waar Winter op wijst, worden erkend door Peter Simkins. Simkins beschrijft in zijn boek ‘’Kitchener’s Army’’ de problemen bij de rekruteringsbureaus. Hij beschrijft dat het personeel totaal niet voorbereid was op extra aanmeldingen. Daarnaast waren er ook veel te weinig bureaus. Door deze problemen ontstonden er dus enorme rijen.
Ook uit de cijfers blijkt dat het dus wel mee valt met het oorlogsenthousiasme.

Toch zijn er nog altijd zo’n 2,5 miljoen mannen die zich vrijwillig aanmeldden om te gaan vechten. De redenen voor deze aanmeldingen waren divers. Een universele oorzaak als oorlogsenthousiasme bestaat dus niet. In het vervolg van dit hoofdstuk zal ik een aantal oorzaken bespreken voor de vrijwillige aanmeldingen van Britse burgers voor de oorlog.
In de eerste plaats, nationalisme. Als je de naoorlogse literatuur en proza leest, leek vechten voor het volk en vaderland slechts een leugen te zijn. Dit bleek bijvoorbeeld uit het wereldberoemde gedicht van Wilfred Owen ‘’Dulce est Decorum Est’’. Dit gedicht was een aanklacht tegen het idee dat het zoet en eervol zou zijn om te sterven voor het vaderland. De vrijwilligers van 1914 en 1915 meldden zich echter ook wel degelijk aan uit vaderlandsliefde. Het Duitse militarisme werd als een bedreiging gezien voor het verdere bestaan van het liberale Groot-Brittannië. De gedachte dat hun land onder de voet zou worden gelopen door de barbaarse Duitser

s bezorgde de soldaten de motivatie om te dienen in het Britse leger. Uiteraard zijn er veel verschillen in de vorm van dit patriottisme, omdat Groot-Brittannië een multinationale staat is. In het Britse leger dienden o.a. Schotten, Ieren, Canadezen en Australiërs, de laatste twee in het leger van de Commonwealth. Toch vochten zij in essentie voor hetzelfde, zij vochten allen voor het land dat ze lief hadden. Natuurlijk stimuleerde de propaganda deze vaderlandsliefde. Vele vrijwilligers gaven gehoor aan de oproep van de minister van oorlog, Lord Kitchener: ‘’Your country needs you.’’

Soldaat Thomas MCindoe vertelde hierover: ‘’Ik zag toevallig die afbeelding van Kitchener waarop hij je aanwijst met zijn vinger – waar je ook ging staan, die vinger wees altijd naar jou – het was echt een prachtige affiche.’’ Soldaat MCindoe voelde toch een plichtsgevoel tegenover zijn vaderland en net als veel burgers vond hij het een gerechtvaardigde oorlog. Aanmelden uit liefde voor het vaderland is dus geen fabeltje

Ten tweede, voor België. Groot-Brittannië werd betrokken in de oorlog door de aanval van Duitsland op België. Volgens de toenmalige minister van Buitenlandse zaken Edward Grey was Groot-Brittannië verplicht de Belgen te helpen omdat zij instonden voor hun onafhankelijkheid, vrijheid en integriteit. Dit zou afgesproken zijn in het neutraliteitsverdrag van 1839. Veel later bracht de Nederlandse historicus Andriessen echter aan het licht dat Groot-Brittanië helemaal niets aan België verplicht was. Desondanks had deze leugen wel effect op de aanmeldingen. Om dit valse gegeven steun bij te zetten sprak de Britse opinie over Duitse gruweldaden in België. Baby’s zouden aan bajonetten geregen worden en vrouwen verkracht. Dit motiveerde ook tot aanmelding voor actieve dienst. Soldaat F.B. Vaughan vertelde hierover: ‘’We waren opgehitst, dat weet ik wel, door verhalen over de wreedheden toen de Duitsers België en Frankrijk binnenvielen.’’ Dat veel van deze gruweldaden verzonnen waren, daar kwamen de soldaten pas na de oorlog achter. Ondertussen gaven de burgers gehoor aan de oproep en lieten ze zich rekruteren om de Belgen te hulp te schieten.

Ten derde, succesvolle rekruteringstechnieken. De inspanningen van het Parliamentary Recruiting Committee (PRC) hebben waarschijnlijk wel effect gehad. Het PRC is in de oorlog in ieder geval uitgegroeid tot een indrukwekkende organisatie. Er werkten in 1918 tweeduizend vrijwilligers voor deze commissie, die 12.000 bijeenkomsten wisten te organiseren. Daarnaast hebben ze acht miljoen brieven gestuurd, waarin burgers gestimuleerd werden om zich aan te melden. Ook hebben ze zo’n 54 miljoen posters, folders en andere publicaties verspreid. Het nieuwe medium, de film, kon ook uitstekend gebruik worden. Soldaat William Dove bijvoorbeeld herinnerde zich een filmvoorstelling die deel uitmaakte van deze rekruteringsacties, hij vertelde hier over het volgende: ‘’De oorlog was verklaard en de zondag daarna ging ik met een vriend van me naar de Shepherds Bush Empire in Londen om de filmvoorstelling te zien.
Aan het eind lieten ze de vloot zien, zeilend op volle zee, en speelden ze Britons Never Shall Be Slaves en Hearts of Oak. En zoals je weet, voel je dan een lichte rilling over je rug lopen en op hetzelfde moment weet je dat je iets moest gaan doen. Ik was indertijd net zeventien geworden en ’s maandags ging ik naar Whitehall – Old Scotland Yard – en nam dienst bij het 16th Lancers Regiment.’’ Deze bron getuigt van het succes van de PRC.

Ten vierde, vrouwelijke druk. In Groot-Brittannië ging er grote sociale druk uit van de vrouwelijke bevolking. Er zijn veel bronnen waarin de situatie beschreven wordt dat vrouwen witte veren aan mannen overhandigden. Deze witte veer was een symbool voor lafheid. Vrouwen werden door de propaganda gestimuleerd om hun echtgenoten en zoons het leger in te krijgen. Bekend zijn bijvoorbeeld de affiches met de kreet: ‘’Women of Britain Say Go!’’ Een achterliggende visie die sommige vrouwen hadden, was het idee dat Duitsland vooral een ‘’mannelijke natie’’ was. Een Duitse overwinning zou desastreus zijn voor de vrouwenbeweging.

Dat de vrouwelijke druk gevoeld werd blijkt onder andere uit de volgende verhalen. Het eerste verhaal is verteld door soldaat F.B. Vaughan. Hij vertelde het volgende over de vrouwelijke druk: ‘’Een andere belangrijke factor was dat het vrouwvolk, de helft van de bevolking, gebrand was op oorlog. Binnen de kortste keren droegen ze regimentenbadges, regimentinsignes, kleine rozetten op hun hoeden of jassen, en ze boden aan om het werk te doen dat de mannen tijdens hun burgerleven hadden gedaan, zodat de mannen konden worden ontheven van hun taak. Er waren vrouwen bij die ons op straat aanhielden en die dan vroegen: ‘Zeg, waarom ben jij niet in uniform?’ Met andere woorden, het hele effect van dit alles was een soort kettingreactie, maar we werden zeker niet gedwongen, we namen zelf het besluit.’’ Ook schutter Norman Demuth had te maken met vrouwelijk druk, zo vertelt hij: ‘’Ze gaven je niet alleen witte veren, maar er was ook nog een andere methode om je te benaderen. Het kon je gebeuren dat je een meisje op je af zag komen, lachend met een verrukte uitdrukking op haar gezicht. Je dacht dan bij jezelf: Mijn hemel, dit is iemand die me kent. Als ze ongeveer vijf of zes stappen van je vandaan was, leek ze plotseling te verstijven, waarna ze met een blik van totale minachting en verachting langs je liep alsof ze je in je gezicht had kunnen spugen.

Dat was veel kwetsender dan een witte veer: zoiets deed je volkomen ineenkrimpen van schaamte en je was zo geschokt dat je niet snel genoeg kon reageren omdat ze was doorgelopen. Maar goed, ik kreeg een witte veer toen ik zestien was, vlak nadat ik van school was gegaan. Ik keek net in een etalage en plotseling voelde ik dat iemand iets in mijn hand duwde. Ik draaide me om en zag een vrouw weglopen die me een witte veer had gegeven. Ik was zo verbouwereerd dat ik niet wist wat ik ermee moest doen. Maar ik had me juist voorgenomen om de artsen en rekruteringsofficieren wijs te maken dat ik negentien was en ik dacht: dit maakt mijn leugentje alleen maar geloofwaardiger, omdat ik er kennelijk toch ouder uitzie. Dus ging ik met nog meer enthousiasme op weg om een rondje langs de rekruteringskantoren te maken.’’ Deze schokkende verhalen zijn talrijk in hun soort en doen begrijpen welke druk er van de vrouwen uitging. Het was erg gênant om op een dergelijke manier benaderd te worden en velen bezweken onder deze druk.

Ten vijfde, sociale druk: Sociale druk en kameraadschap zijn nauw met elkaar verweven. Belangrijk hierbij zijn de zogenaamde ‘’Pals Battalions.’’ Deze bataljons komen voort uit een belofte van Lord Kitchener. Vrienden, collega’s, dorpsgenoten en scholieren zouden in hetzelfde bataljon terecht komen als ze zich gezamenlijk aan zouden melden. Het was een extra argument om te gaan, je was tenminste onder vrienden. Zo ontstonden de ‘’Pals Batallions’’ ,de bataljons van vrienden. In heel Engeland, maar vooral in het geïndustrialiseerde noorden gaven duizenden gehoor aan deze lokroep. De ‘’Pals Batalions’’ stonden bekend om hun enthousiasme en kameraadschap. De ‘’Pals’’ vormden met hun optreden ook een voorbeeld voor anderen. Iets waar gebruik van werd gemaakt in de propaganda. Zo verschenen er vanuit het Parliamentary Recruiting Committee affiches en folders met de tekst: ‘’You’re proud of your pals in the Army, of course! But what will your pals think of YOU?’’
Niemand aan het thuisfront wilde deze soldaten in de steek laten. Het hele Britse imperium steunde de mannen die aan het vechten waren voor het vaderland. Zo groeide deze vorm van kameraadschap uit tot een belangrijk motief voor burgers om zich aan te melden.


Ten zesde, economische motieven. De economische omstandigheden in Engeland waren onzeker. Veel burgers uit de lagere klassen moesten ontzettend hard werken voor slechte lonen. Ook waren zij hun banen niet zeker. Het leger bood hen een uitstekend alternatief. In het leger waren zij zeker van een vast loon, genoeg eten en degelijke kleding. In Engeland waren er ook veel werklozen die een uitweg zagen in het leger. Volgens Ferguson is er een verband tussen de piek van werkloosheid veroorzaakt door de financiële crisis in augustus en de piek die je ziet in het aantal aanmeldingen. Soldaat Wilfred Cook schreef hier het volgende over in zijn boek: ‘’When the call-up came, many Young men enlisted with the sole idea of getting away from the factories and the monotony of labour for a mere pittance. The unemployed with no state aid saw the army as a means of being fed and clothed.’’


Tenslotte, impulsieve reacties. Economisch historicus Avner Offer komt tot de conclusie dat sommige burgers zich zomaar opgegeven hebben voor militaire dienst. Dit waren impulsieve reacties, waarover niet veel was nagedacht. Ook dachten zij niet na over de gevolgen die een dergelijk besluit met zich mee zou brengen. Soldaat Reginald Haine is een voorbeeld van iemand die zich aanmeldde zonder veel na te denken. Dit blijkt uit het verhaal dat hij hierover vertelde: ‘’Mijn eerste reactie bij het uitbreken van de oorlog kan ik me nauwelijks meer herinneren, omdat ik er eigenlijk niet zoveel over nadacht. Ik was net achttien en toen de oorlog uitbrak, had ik niet het idee dat de oorlog mijn leven op een of andere manier zou gaan beïnvloeden.’’ Toch zou Haine zich aanmelden. Over zijn rekrutering vertelt hij: ‘’Mijn vriend stelde me voor aan de sergeant, die me vroeg: ‘Wil je meedoen? ’Ik antwoordde: ‘Ja meneer’, en toen zei hij: ‘Prima.’’ Bij dit geval was er ook wel sprake van enige sociale druk, hij was immers samen met een vriend, maar Haine had geen specifieke reden om zich aan te melden. Dit optreden kan dan ook gezien worden als een impulsieve reactie. Volgens Avner Offer waren er legio burgers die op deze manier in het leger zijn beland.

Deelconclusie
Al met al mogen we vraagtekens zetten bij de intensiteit van het oorlogsenthousiasme. De rijen met vrijwilligers waren zo lang, doordat de rekruteringsbureaus niet voorbereid waren op meer aanmeldingen dan normaal. Met behulp van een welgezinde pers wilde de regering een beeld van massaal enthousiasme creëren. Je mag dan ook constateren dat dit beeld met succes is overgebracht en ook vandaag de dag nog door velen geloofd wordt.

De oorlogsvrijwilligers hebben zich echter niet altijd uit enthousiasme aangemeld. De redenen voor de aanmeldingen hebben vaker andere oorzaken. Er is echter niet één gemeenschappelijke oorzaak te noemen. In de jaren voor de dienstplicht is er wel een patroon te zien in de redenen voor aanmelding. In 1914 meldde men zich vaak om andere redenen voor de oorlog aan dan in 1915.

In de eerste twee maanden van de oorlog is het aantal aanmeldingen het hoogst. Waarschijnlijk komen de eerste aanmeldingen onder andere voort uit economische motieven. Door de oorlogsomstandigheden steeg de werkloosheid in Engeland in sommige bedrijfstakken acuut. Aan het eind van augustus was het aantal werklozen zelfs gestegen tot een half miljoen. Het leger bood dan bij afwezigheid van werkloosheiduitkeringen welkome werkgelegenheid. Dit is ook cijfermatig te bewijzen, want de absolute piek van aanmeldingen (174.901) lag tussen 30 augustus en 5 september, precies tijdens de hoge werkloosheid. In deze periode zijn er ook veel aanmeldingen voor de ‘’Pals Battalions’’. Zo liep het ‘’Accrington Batallion’’ in een paar dagen vol, nadat de grootste werkgever in dat plaatsje 4000 man ontslagen had.

Ook zijn er nog andere oorzaken te noemen voor de aanmeldingen in 1914. De mannen die zich hadden aangemeld om België te hulp te schieten bijvoorbeeld, hebben zich waarschijnlijk ook met name in het eerste jaar aangemeld. In de eerste maanden van de oorlog werd er nog veel aandacht besteed aan het armzalige lot van de Belgen. Een aantal Britten zag het daarom als hun plicht om de mensen daar te helpen. Als laatste zijn de impulsieve reacties ook een typisch verschijnsel uit 1914. In de eerste maanden van de oorlog was namelijk nog niet echt duidelijk hoe verschrikkelijk de oorlog was.
Opportunisten zagen de oorlog op dat moment als een welkome afwisseling in de dagelijkse sleur. De oorlog werd toen ook nog wel als een spannend avontuur gezien.
In 1915 werd duidelijk dat het een gruwelijke oorlog was. Historica Lyn Macdonald betitelde dit jaar treffend als ‘’het verlies van de onschuld.’’ In dit jaar meldde men zich waarschijnlijk om andere redenen aan dan in 1915. Het nationalisme bloeide op, wanneer men las over de verliezen die de Britten aan het front leden. Het werd nu voor velen duidelijk, dat het vaderland ze nodig had in de strijd tegen de Duitsers. Toen de berichten over de rampzalig verlopen tweede slag bij Ieper en de slag bij Loos Groot-Brittannië bereikten, was er een piek te zien in het aantal aanmeldingen. Men wilde vechten voor het land dat men lief had en hun land mocht nooit ten prooi vallen aan een andere natie. Ook de sociale druk nam toe, door de berichten over desastreus verlopen veldslagen. De druk werd opgevoerd door bijvoorbeeld de Parliamentary Recruiting Committee die in speelde op de immoraliteit van de thuis gebleven mannen.
Ook vrouwen begonnen druk uit te oefenen op de thuisblijvers. Minachtende reacties van vrouwen richting thuisgebleven mannen, werden als zeer vernederend ervaren. Velen van deze mannen durfden hierdoor niet meer thuis te blijven en begaven zich zo snel mogelijk naar een rekruteringsbureau.
De PRC stimuleerde dit soort acties. Deze organisatie heeft waarschijnlijk in 1915 meer rendement gehad, omdat de organisatie in 1915 groter gegroeid was. Ze hadden de beschikking over meer vrijwilligers en waren zodoende in staat om meer werk te verrichten.
Het is moeilijk te zeggen door welke oorzaak men zich het meest heeft aangemeld. Feit is dat uiteindelijk miljoenen de oorlog ingingen. Op weg naar het front zullen ze geprobeerd hebben de binnensluipende angst te onderdrukken door te schreeuwen over een snelle overwinning. Sterke drank zal ook wel geholpen hebben.
De achterblijvers zullen hen hebben toegelachen en toegejuicht, in het trieste besef dat het afscheid door tranen niet erger gemaakt moest worden dan het al was.

Hoofdstuk 3:
Waarom bleven de soldaten doorvechten?


In mijn eerste hoofdstuk benadrukte ik, dat het moreel van de troepen van eminent belang was in de oorlog. Als het lukt dit moreel vast te houden, lijkt het aantal slachtoffers dat men lijdt van ondergeschikt belang te zijn. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de geschiedenis van de 29e Britse divisie. De 29e divisie had namelijk 94.000 manschappen verloren tijdens de oorlog, maar werd toch beschouwd als een elite-eenheid van de B.E.F. We kunnen hieruit concluderen dat menselijke verliezen niet de enige factor zijn die het moreel beïnvloeden. Dit brengt ons bij de volgende vraag: ‘’Hoe werd het moreel van de soldaten gedurende vijf jaar op peil gehouden?’’ Anders gezegd, waarom bleven de soldaten door vechten?
Het leven in de loopgraven is in de loop der tijd een metafoor geworden voor de verschrikkingen tijdens de Eerste Wereldoorlog. De eeuwige modder, de ratten, luizen en de geur van dood maakten de loopgraven tot een hel op aarde.
Later werd dit gegeven versterkt door middel van film, kunst, literatuur en kranten. Zo werd ons duidelijk gemaakt dat het leven van de soldaat in de Eerste Wereldoorlog een regelrechte hel was. Aan het front zijn er een aantal protesten geweest, waarbij de soldaten de strijd staakten. Je kunt hierbij denken aan de kerstbestanden van 1914 en de Franse muiterijen in 1917. Maar dit waren relatief gezien toch kleinschalige acties. De meeste soldaten schikten zich in hun lot en bleven doorvechten. Historici hebben veel bronmateriaal verzameld waaruit dit blijkt.
Historici als Bourne, Winter, Arthur en Koch hebben deze bronnen voornamelijk gevonden in ooggetuigenverslagen. Deze verslagen haalden ze uit kranten, memoires en gedichten. De econoom Ferguson vond zijn informatie ook in de verhalen van soldaten. Deze ooggetuigen leverden goede inzichten over het moreel op. Dit omdat veel soldaten gemeenschappelijk redenen hadden om door te vechten. Er is echter niet één gemeenschappelijke reden te nomen. Uit de bronnen blijkt dat er meerdere oorzaken waren, waardoor de soldaten door bleven vechten, de meest belangrijke zal ik in het vervolg van dit hoofdstuk benoemen en uitleggen.

In de eerste plaats was er sprake van dwang. De eerste oorzaak waaraan mensen vaak denken is dat de soldaten gedwongen werden om te vechten. Het Britse leger trad inderdaad hard op tegen desertie, lafheid en muiterij. 3080 Britse soldaten zijn om deze redenen geëxecuteerd. De Britten waren cijfermatig gezien het meest meedogenloos in het handhaven van de militaire discipline. De Britten executeerden namelijk meer soldaten dan alle andere belligerente naties. Ook was de controle door de militaire politie in het Britse leger het strengst. In het Britse leger was er één militaire politieagent voor 291 soldaten. Dit was veel in vergelijking met bijvoorbeeld het Duitse leger, waar er één militaire politie voor een bataljon van 1000 man was. De discipline in het Britse leger was erg hoog.

Maar als oorzaak voor het goede moreel moet de factor dwang niet overschat worden. Het aantal soldaten dat geëxecuteerd werd voor lafheid staat in schril contrast met het totale aantal dienende soldaten (5.7 miljoen). Daarnaast leden vele van deze soldaten aan shell shock, soldaten die leden aan dit verschijnsel werden niet begrepen door de legerleiding. Ze werden aangezien voor deserteurs en velen van hen werden ten onrechte geëxecuteerd. Dwang hielp bij deze tragische gevallen absoluut niet.

In de tweede plaats was er sprake van kameraadschap. Kameraadschap was belangrijk om het leven in de loopgraven te doorstaan. Aan het front ontstonden intense vriendschappen. Uit de verhalen van de soldaten uit de Grote Oorlog bleek dat soldaten doorbleven vechten, omdat ze de anderen niet wilden laten zitten. De onderlinge verhoudingen maakten de helse toestanden dragelijk. Leidinggevenden als Siegfried Sassoon en Wilfred Owen keerden om deze reden zelfs terug naar het front, terwijl zij de oorlog zagen als een zinloze slachting. Uiteindelijk zou Owen deze keuze met zijn leven moeten betalen. Toch moet kameraadschap als oorzaak voor een goed moreel ook niet overschat worden. Owen en Sassoon zijn niet representatief voor de Eerste Wereldoorlog, zij hadden een heel eigen visie. Uit het boek van Ferguson komt bijvoorbeeld naar voren, dat veel soldaten ook individuele activiteiten, zoals lezen, erg op prijs stelden.

Deze individuele activiteiten vonden zij net zo belangrijk als kameraadschappelijke vriendschappen. Een andere overtuigende kanttekening bij de kameraadschap als oorzaak voor een goed moreel, is het feit dat veel eenheden, snel in actie kwamen, nadat zij waren gevormd. Tijdens deze militaire acties werden vriendschappen vaak ook nog eens beëindigd door de dood. Het overlijden van een kameraad deed eerder slecht dan goed aan het moreel.


In de derde plaats, voor volk en vaderland. De klassieke reden voor het goede moreel van de troepen en het zogenaamde oorlogsenthousiasme, was het idee dat de soldaten vochten voor volk en vaderland. Net als in voorgaande oorlogen vocht men ook in de Eerste Wereldoorlog voor ‘’La Patrie, The Empire en Das Vaterland’’.
De Britten hadden aan het begin van de twintigste eeuw een superioriteitsgevoel. Het enorme Britse rijk vormde voor de Britten het bewijs, dat zij het meest machtige land van de wereld waren. Daarnaast voelden zij zich de verdedigers van de beschaving. Het barbaarse Duitsland moest maar eens een lesje leren. Een ander gevoel dat meespeelde was de angst dat hun schitterende Groot-Brittannië bezet zou worden door deze barbaarse Duitsers en dit moest te allen tijde voorkomen worden. Een begrijpelijke gedachte voor de mensen in Groot-Brittannië.

Maar wat het geheel moeilijk maakt, is het feit dat de Britten een multinationale kracht vormden. En al deze landen hadden een andere identiteit. De Schotten bijvoorbeeld hadden een heel eigen cultuur, zij wilden ook graag laten zien dat zij de beste soldaten hadden en dat zij de oorlog zouden winnen. Naast de Schotten vochten er in de Eerste Wereldoorlog ook soldaten uit Australië en Canada. Velen van hen waren nog wel in Groot-Brittannië geboren, maar zij hadden duidelijk een heel eigen identiteit. Bourne geeft in zijn boek aan dat deze soldaten inderdaad hielden van hun eigen geboorteland, maar hij geeft aan dat ze wel bereid waren om voor Groot-Brittannië te vechten. Het enige wat belangrijk was, was dat zij vasthielden aan wat zij liefhadden. Of ze nu voor Engeland vochten, voor Nieuw-Zeeland of Newfoundland, uiteindelijk vochten ze tegen een gezamenlijke vijand en hadden ze een gemeenschappelijk doel. Bourne heeft deze informatie gevonden in verhalen van de soldaten. Hij vond dit bijvoorbeeld terug in diverse memoires.

In de vierde plaats oorlogsroes. Uit diverse geschriften blijkt dat er zoiets bestond als een oorlogsroes. Een roes die de werkelijkheid van de dag, als het ware verblindde. Soldaten raakten apathisch door de oorlog. Om zichzelf te beschermen bouwden ze een soort natuurlijke muur op, waardoor ze het extreme geweld konden verdragen. Hierdoor werden ze zo verhard, dat ze nergens meer van terugschrokken.
Soldaten raakten gewend aan alle gruwelen van de oorlog. De soldaten werden hierdoor steeds egocentrischer. Ze trokken zich terug en werden stiller en gereserveerder. Als het gevaar toenam, trokken ze zich nog verder in zichzelf terug. Deze soldaten hadden volgen Dennis Winter ook geen andere keus. Hun harten zouden breken als ze rouwden om iedere dode.
Als de soldaten uit de Grote Oorlog later terugdachten aan hun belevenissen in 1914-1918, konden ze zich ook niet meer voorstellen hoe zij met al deze ellende om konden gaan. Sommige soldaten konden ook hun eigen wreedheden niet begrijpen. Soldaat Bescn herinnerde zich bijvoorbeeld dat hij ooit de vinger van een lijk afbeet, voor een zegelring. Later verwonderde hij zich over het feit dat hij dit ooit had gedaan. Hierbij concludeerde hij dat hij niet in een normale geestelijke toestand moet zijn geweest.
Volgens Winter was het eindproduct van deze oorlogsroes een gemoedstoestand van passieve aanvaarding. Het kon de soldaten niet meer schelen wat ze moesten doen. Deze oorlogsroes als oorzaak voor het doorvechten van de soldaten is weinig heroïsch. Toch was deze van eminent belang, velen hebben het geweld van de oorlog zo weten te verdragen.

In de vijfde plaats, the love of war.
Een oorzaak die nog te weinig aandacht heeft gekregen is het idee dat de mannen van oorlog hielden. Deze mogelijkheid die door velen wellicht als onsmakelijk gezien wordt, was voor veel soldaten een belangrijke beweegreden.

Deze these wordt ondersteund door Sigmund Freud. Freud schreef tijdens de oorlog het essay: ‘’Thougts for the Times on War and Death.’’ In dit essay schreef Freud dat in de oorlog de primitieve instincten van de mens weer naar boven kwamen. Deze instincten waren daarvoor onderdrukt door de samenleving waarin zij leefden. Als dit waanzinnige conflict was beëindigd zou zich het volgende voordoen: ‘’Every one of the victorious warriors will joyfully return to his home, his wife and his children, undelayed and undisturbed by any thought of the enemy he has slain… If we are to be judged by the wishes in our unconscious, we are, like primitive man, simply a gang of murderers…Our unconscious is just as… murderously minded towards the stranger, as divided or ambivalent towards the loved, as was man in earliest antiquity…War…strips is of the later accretions of civilization and lays bare the primal man in each of us.’’ Deze mening wordt niet alleen gedeeld door Sigmund Freud, ook anderen zijn het met hem eens. De Duitse schrijver Thomas Mann beschreef, in zijn naoorlogse werk over het Wilhelminische Duitsland, dat soldaten misschien wel bleven vechten, omdat zij simpelweg van vechten hielden. Ook de Israëlische militairhistoricus Martin van Creveld schreef over dit onderwerp. Hij schreef het volgende: ‘’War… far from being merely a means, has very often been considered an end – a highly attractive activity for which no other can provide an adequate substitute… War alone presents man with the opportunity of employing all his faculties, putting everything at risk, and testing his ultimate worth against an opponent as strong as himself… However unpalatable the fact, the real reason why we have wars is that men like fighting.’’

De oorlog werd door velen gezien als iets geweldigs, een avontuur dat niet gemist moest worden. Ook in de memoires en brieven van soldaten zijn er teksten te vinden, waaruit blijkt dat de soldaten van de oorlog hielden. In veel gevallen hielden de soldaten niet zozeer van het moorden, maar zagen zij de oorlog als een spannend avontuur. Een voorbeeld hiervan is bijvoorbeeld te vinden bij de Engelse cavalerist Julian Grenfell.

Hij schreef het volgende over zijn oorlogsbelevingen: ‘’Four of us were talking and laughing on the road when about a dozen bullets came with a whistle. We all dived for the nearest door, which happened to be a laugh, and fell over each other, yelling with laughter… I adore war. It is like a big picnic without the objectlessness of a picnic. I’ve never been so well or so happy.’’ Zulke gevoelens over de oorlog waren wijdverbreid aan het front. Ook Dennis Winter erkent dat de soldaten hielden van oorlogvoeren. Als bewijs draagt hij een brief aan, waarin het volgende staat: ‘’My dear Daddy, this is your birthday…It will be a great fight and, even when I think of you, I would not wish to be out of it. I am very happy and, whatever happens, you will remember that.’’

De soldaat waar Winter over schrijft had al meerdere gevechten meegemaakt. Deze brief is dus een goed voorbeeld van een soldaat die plezier heeft in oorlogvoeren. De wil om te vechten kan voor een deel verklaard worden door de wraakgevoelens die de soldaten hadden tegenover de vijand. Velen hadden in de oorlog familie en vrienden verloren en wilden wraak nemen voor deze verliezen. Ferguson merkt ook op dat veel soldaten het idee hadden dat ze zelf niet om zouden komen. Veel soldaten konden zich niet voorstellen dat zij de volgende aanval niet zouden overleven. Doordat de soldaten dit gevoel hadden, trokken ze met enthousiasme naar het slagveld.

Toch zijn er ook kanttekeningen te plaatsen bij deze veronderstelling. Het is namelijk niet waarschijnlijk dat alle soldaten van oorlogvoeren hielden. John Bourne beschrijft dit in zijn boek ‘’Britain and the Great War.’’ Bourne erkent dat er soldaten waren die van oorlogvoeren hielden, maar volgens hem was dit een minderheid. De oorlog moest desoriënterend geweest zijn voor veel soldaten. De oorlog haalde je weg van je vertrouwde omgeving en de mensen waar je van hield. Zo moesten de soldaten vechten voor hun leven op plaatsen waar zij niet van hielden, tegen mensen die ze niet kenden. Daarnaast was oorlogvoeren saai, er werd tijdens de oorlog eindeloos verveeld. Het grootste gedeelte van de oorlog, bestond uit het wachten op orders. Orders waarover zij geen controle hadden en waarvan zij de bedoeling niet begrepen. De oorlog was ook vermoeiend, je lichaam en geest werden tot het uiterste beproefd. Angst was alom aanwezig, de angst om gedood te worden en de angst voor pijn. Deze oorzaak is dan ook niet representatief voor alle Britse soldaten. Sommigen hielden van vechten anderen helemaal niet. Er is ook niet één oorzaak te noemen voor het gestabiliseerde moreel in het Britse leger. Het was een combinatie van factoren, die de mannen overeind hield. Naast de zojuist besproken oorzaken zijn er nog een aantal evidente redenen te noemen voor een goed moreel onder de manschappen. Dit zijn tamelijk huiselijke redenen, die een evidente rol speelden op de korte termijn.

Ten eerste, warme en comfortabele kleding. Goede kleding werd als belangrijk gezien. De soldaten werden tijdens de oorlog op de proef gesteld door de omstandigheden en hun kleding was hun enige bescherming, tegen water, kou etc.

Ten tweede, fatsoenlijke accommodatie. Fatsoenlijke plaatsen om te verblijven en te slapen, hadden invloed op het moreel. De Britse loopgraven waren echter niet te vergelijken met de Duitse. De Duitse loopgraven waren veel beter geconstrueerd en stonden bekend om hun netheid.

Ten derde, eten. Eigenlijk alle oorlogsmemoires maken duidelijk dat het moreel sterk afhing van goede rantsoenen. De sfeer was merkbaar beter als men goed te eten had.
Ten vierde, drugs. Bekend is de uitspraak dat zonder alcohol en wellicht tabak de oorlog niet gevochten had kunnen worden. De soldaten vonden hun tijdverdrijf in drinken en roken. Daarnaast waren dit ook middelen die de soldaten hielpen om te gaan met stress.

Ten vijfde, rust: Uit de verhalen van de soldaten blijkt dat velen zwaar vermoeid raakten. Rust was dus erg belangrijk. Als ze enige rust konden vinden, was er de mogelijkheid om bij te komen en te slapen. Veel rust kregen de Britse soldaten officieel niet, maar ze deden er alles aan om zich van hun verplichtingen te onttrekken. Volgens de verhalen waren de Britse soldaten hier echte meesters in.

Ten zesde, vrije tijd. Als de soldaten enige vrije tijd konden vinden, werd deze gebruikt om weer enigszins tot hun zinnen te komen. Beroemd is de zwarte humor uit de loopgraven. De Britten namen de oorlog in hun grappen erg lichtzinnig op. Deze humor is bijvoorbeeld terug te vinden in de komische namen die de soldaten gaven aan de dingen om hen heen. Een begraafplaats werd bijvoorbeeld ‘’a rest camp’’. ‘’Over the top’’ werd ‘’jumping the bags’’. Soldaten hielden zich ook bezig met het verzamelen van oorlogssouvenirs, zoals helmen en bajonetten. Ook konden zij hun vermaak vinden in concerten, voetbal, honkbal, de film en seks.

Ten zevende, verlof. De soldaten zagen altijd uit naar hun verlof. Voor de soldaten uit Groot-Brittannië was dit echter een zeldzaamheid. De soldaten kregen tien dagen verlof voor elke vijftien maanden. Soldaten uit de Britse koloniën kregen helemaal geen verlof. Voor velen werd het verlof echter een beetje bedorven, doordat het thuisfront niet wist wat er aan het front speelde.

Deelconclusie
Gedurende de Eerste Wereldoorlog gehoorzaamde de meerderheid van de soldaten de legerleiding. Het moreel in het leger bleef behouden en men was uiteindelijk in staat om Duitsland te verslaan. Niet alle soldaten hadden dezelfde reden om door te vechten, maar er zijn wel een aantal gemeenschappelijke redenen te vinden. Toch zijn deze oorzaken niet allemaal even belangrijk. Want wat onderscheidde de Britten nu eigenlijk van bijvoorbeeld de Duitsers? In 1918 ging het Duitse moreel verloren en daarom verloren ze de oorlog. Oorzaken als dwang, kameraadschap, oorlogsroes, nationalisme en liefde voor de oorlog kwamen even goed voor onder de Duitse soldaten en toch ging het Duitse moreel verloren en niet het Britse. De zojuist genoemde oorzaken zijn universeel. Het is dus nuttig om te kijken naar oorzaken die specifiek voor de Britten golden. Als je kijkt naar Duitsland, is te zien dat in 1918 de bevoorrading van het Duitse leger steeds slechter werd.
Hierdoor kregen zij bijvoorbeeld minder goed te eten. Ook verslechterde de toestand van hun kleding. Dit soort huiselijke zaken hadden een direct effect op het moreel. Deze verslechtering in omstandigheden ging ook nog eens samen met het verlies van een aantal veldslagen. Door deze veldslagen kregen de soldaten weinig rust en raakten ze oververmoeid. Ook de komst van de Amerikanen speelt hierin een rol. De Amerikaanse soldaten waren nog niet oorlogsmoe en zo konden zij een beslissende rol spelen in de oorlog. Deze combinatie van factoren is fataal geweest voor het Duitse leger. Men mag dus ook wel concluderen dat de Britten overeind bleven, doordat de levensomstandigheden tot aan het eind toe goed bleven. Soldaten die genoten van een veldslag, mannen die het heerlijk vonden om de adrenaline door hun lichaam te voelen stromen, hielden dit niet vol zonder goede voeding, kleding, drank, vrije tijd en rust.



Hoofdstuk 4: De conclusie
Het vakinhoudelijk deel van mijn verslag is geschreven om een antwoord te geven op drie vragen over de Eerste Wereldoorlog. Deze drie vragen kwamen voort uit één centrale hoofdvraag.

De hoofdvraag van dit onderzoek was: ‘’Wat is de motivatie voor de burgers van het Britse imperium om zich voor de oorlog aan te melden en door te vechten?’’ De drie deelvragen waren:
1. Hoe komen we iets te weten over de motivatie van Britse soldaten en burgers in de Eerste Wereldoorlog?
2. Waarom hebben Britse burgers zich vrijwillig aangemeld voor de oorlog?
3. Wat is de verklaring voor het feit dat de soldaten het volhielden in de loopgraven en door bleven vechten?


Ik heb getracht deze vragen zo goed mogelijk te beantwoorden. Hieronder geef ik een korte samenvatting van deze vragen.

1. In de loop van mijn onderzoek heb ik veel informatie kunnen vinden over de motivatie van Britse burgers en soldaten. Omdat er eigenlijk een overschot aan informatie te vinden was, was het de kunst om de goede informatie te vinden. Hiervoor heb ik allereerst informatie gezocht in de boeken van diverse historici. Deze informatie heb ik daarna gecombineerd met de verhalen van ooggetuigen. Op deze manier heb ik een antwoord kunnen vinden op deelvraag twee en drie.

2. In de periode 1914-1915 hadden zo’n 2,4 miljoen inwoners van het Britse imperium zich vrijwillig aangemeld voor de oorlog. Hoewel de redenen voor deze aanmeldingen zeer divers waren en er vaak ook eigenbelang bij kwam kijken, zag iedereen de oorlog wel als een juiste oorlog. Van enorm enthousiasme was echter geen sprake. Het oorlogsenthousiasme is een fabeltje dat verzonnen is door de media en politici van toen. De werkelijke oorzaken voor de aanmeldingen zijn divers en er is dan ook niet één gemeenschappelijke oorzaak te noemen. Er is echter wel een patroon te zien in de oorzaken voor de aanmeldingen. In 1914 meldde men zich om andere redenen voor de oorlog aan, dan in 1915.
In 1914 steeg de werkloosheid door de oorlogsomstandigheden. Werklozen en mannen met een onzeker bestaan zagen de oorlog als een oplossing voor hun financiële problemen en meldden zich aan. Anderzijds meldde men zich in 1914 aan uit medelijden voor België. In 1914 waren er ook veel mannen die zich zonder echte reden aanmeldden. Deze impulsieve reacties zijn typerend voor 1914.
In 1915 bloeide het nationalisme in Groot-Brittannië op. Onder invloed van negatieve berichten in de kranten kreeg men het gevoel nodig te zijn. Naast dit nationalisme, nam de invloed van sociale druk ook steeds meer toe. Deze druk werd daarnaast opgevoerd door de PRC. Deze organisatie had een enorme ontwikkeling doorgemaakt tijdens de oorlog en was in 1915 veel beter georganiseerd dan in 1914.

3. Het moreel onder de Britse troepen bleef vijf jaar lang behouden. Hiervoor zijn verschillende oorzaken te noemen. Oorzaken als dwang, kameraadschap, oorlogsroes, nationalisme en liefde voor de oorlog zijn universeel. Één oorzaak lijkt de Britten van de andere landen te onderscheiden. De levensomstandigheden in het Britse leger bleven namelijk vijf jaar lang vrij goed. Tot het einde toe kregen de soldaten bijvoorbeeld genoeg voedsel binnen.
In mijn verslag heb ik getracht een sociaalhistorische kant van de Eerste Wereldoorlog te belichten. Ik heb mij zoveel mogelijk gericht op de geschiedenis van de gewone man. Deze geschiedenis blijft vaak onderbelicht, meestal houd men het bij de grote lijnen. Door de geschiedenis van gewone mensen te bestuderen, wordt duidelijk hoe de oorlogsmolen bleef draaien. Daarnaast wordt ook de werkelijke aard van de oorlog steeds duidelijker. De oorlog speelde zich af op de slagvelden en niet op de bureaus van politici en generaals. Met dit onderzoek wilde ik de aandacht vestigen op de gewone soldaten.
De mannen die te midden van modder en ellende vochten in de loopgraven. Velen van hen raakten gewond of stierven. Anderen kwamen veilig thuis, maar zouden hun leven lang soldaat blijven. Ik heb getracht een antwoord te geven op één van de grootste raadsels van de Eerste Wereldoorlog. Hoe kwamen de anonieme miljoenen tot het besluit in de strijd te volharden en in de zin ervan te geloven? Ze deden het, dat is één van de onweerlegbare feiten van de Eerste Wereldoorlog. Een aantal oorzaken van dit raadsel heb ik mijn onderzoek kunnen beantwoorden, toch blijven er altijd zaken onbelicht. Misschien komen we dat ooit te weten, maar misschien ook niet. Geloven in een verschrikkelijke strijd is volgens Keegan niet alleen een aspect uit de Eerste Wereldoorlog, maar is een aspect van het menselijk leven. De zin van het menselijke leven en oorzaken die een mens overeind houden zijn moeilijke materie. John Keegan erkent ook dit raadsel van de Eerste Wereldoorlog.

Keegan schrijft: ‘’De kameraadschap bloeide in de gegraven steden van het Westelijk en Oostelijk front en verbond volslagen vreemden in nauwe broederschap en verhief de loyaliteit uit tijdelijke saamhorigheid tot het niveau van een bloedband op leven en dood. Mannen die in de loopgraven samen in een enge ruimte moesten leven, knoopten banden aan van wederzijdse afhankelijkheid en zelfopoffering die sterker waren dan vriendschappen in vredestijd. Dat is het ultieme raadsel van de Eerste Wereldoorlog. Als we zowel de genegenheden als de haatgevoelens ervan konden begrijpen, zouden we het inzicht in het raadsel van het menselijk leven dichter benaderen.
_________________
Poppies for young men, death's bitter trade
Naar boven
Bekijk gebruikers profiel Stuur privé bericht Verstuur mail
Arjen87



Geregistreerd op: 18-4-2011
Berichten: 40
Woonplaats: Stad aan't Haringvliet

BerichtGeplaatst: 26 Mei 2011 17:24    Onderwerp: Reacties Reageer met quote

Plaats gerust reacties. Lofuitingen en kritiek zijn beide welkom.
Arjen
_________________
Poppies for young men, death's bitter trade
Naar boven
Bekijk gebruikers profiel Stuur privé bericht Verstuur mail
Finnbar
Moderator


Geregistreerd op: 5-11-2009
Berichten: 6982
Woonplaats: Uaso Monte

BerichtGeplaatst: 26 Mei 2011 17:42    Onderwerp: Reageer met quote

Heb jij dat geschreven?
Naar boven
Bekijk gebruikers profiel Stuur privé bericht Verstuur mail
Arjen87



Geregistreerd op: 18-4-2011
Berichten: 40
Woonplaats: Stad aan't Haringvliet

BerichtGeplaatst: 26 Mei 2011 18:20    Onderwerp: Reageer met quote

Vorig jaar heb ik dit geschreven, als eindscriptie voor de lerarenopleiding geschiedenis in Rotterdam.
_________________
Poppies for young men, death's bitter trade
Naar boven
Bekijk gebruikers profiel Stuur privé bericht Verstuur mail
Yvonne
Admin


Geregistreerd op: 2-2-2005
Berichten: 45584

BerichtGeplaatst: 26 Mei 2011 19:48    Onderwerp: Reageer met quote

Mag ik je opmaak iets leesbaarder maken?
_________________
Met hart en ziel
De enige echte

https://twitter.com/ForumWO1
Naar boven
Bekijk gebruikers profiel Stuur privé bericht Verstuur mail Bekijk de homepage
Lingekopf
Bismarck


Geregistreerd op: 19-10-2006
Berichten: 16013
Woonplaats: Binnen de Atlantikwall en 135 km van het WO1-front

BerichtGeplaatst: 26 Mei 2011 22:14    Onderwerp: Reageer met quote

Je zou er een WIKI-artikel van kunnen maken, dan heb je veel meer opmaakmogelijkheden. Ik kan je zo nodig wel assisteren. Ook kun je er foto's en andere afbeeldingen bij plaatsen Laughing
_________________
"Setzen wir Deutschland, so zu sagen, in den Sattel! Reiten wird es schon können..... "
"Wer den Daumen auf dem Beutel hat, der hat die Macht."

Otto von Bismarck, 1869
Naar boven
Bekijk gebruikers profiel Stuur privé bericht
Percy Toplis



Geregistreerd op: 9-5-2009
Berichten: 15071
Woonplaats: Suindrecht

BerichtGeplaatst: 26 Mei 2011 22:26    Onderwerp: Reageer met quote

Yvonne @ 26 Mei 2011 20:48 schreef:
Mag ik je opmaak iets leesbaarder maken?
Witregels raken uit de mode, ook bij lerarenopleidingen... InHolland???? Wink
_________________

"Omdat ik alles beter weet is het mijn plicht om betweters te minachten."
Marcel Wauters, Vlaams schrijver en kunstenaar 1921-2005
Naar boven
Bekijk gebruikers profiel Stuur privé bericht
Yvonne
Admin


Geregistreerd op: 2-2-2005
Berichten: 45584

BerichtGeplaatst: 26 Mei 2011 22:32    Onderwerp: Reageer met quote

Lingekopf @ 26 Mei 2011 23:14 schreef:
Je zou er een WIKI-artikel van kunnen maken, dan heb je veel meer opmaakmogelijkheden. Ik kan je zo nodig wel assisteren. Ook kun je er foto's en andere afbeeldingen bij plaatsen Laughing
Ook mooi.

Maar m'n complimenten dat je het hier plaatst thumbs up thumbs up
_________________
Met hart en ziel
De enige echte

https://twitter.com/ForumWO1
Naar boven
Bekijk gebruikers profiel Stuur privé bericht Verstuur mail Bekijk de homepage
Arjen87



Geregistreerd op: 18-4-2011
Berichten: 40
Woonplaats: Stad aan't Haringvliet

BerichtGeplaatst: 30 Mei 2011 8:18    Onderwerp: Opmaak Reageer met quote

Ik vind het prima als je de opmaak aanpast. Ben niet echt een held in het plaatsen van dergelijk berichten in forums..

Ik heb trouwens niet op de In Holland gezeten, maar op de Hoge school Rotterdam.
_________________
Poppies for young men, death's bitter trade
Naar boven
Bekijk gebruikers profiel Stuur privé bericht Verstuur mail
Arjen87



Geregistreerd op: 18-4-2011
Berichten: 40
Woonplaats: Stad aan't Haringvliet

BerichtGeplaatst: 30 Mei 2011 8:19    Onderwerp: Wiki Artikel Reageer met quote

Dat artikel is wel een goed idee, maar dan heb ik wel wat hulp nodig. Ik houd je op de hoogte.
_________________
Poppies for young men, death's bitter trade
Naar boven
Bekijk gebruikers profiel Stuur privé bericht Verstuur mail
Percy Toplis



Geregistreerd op: 9-5-2009
Berichten: 15071
Woonplaats: Suindrecht

BerichtGeplaatst: 30 Mei 2011 9:59    Onderwerp: Re: Opmaak Reageer met quote

Arjen87 @ 30 Mei 2011 9:18 schreef:
Ik heb trouwens niet op de In Holland gezeten, maar op de Hoge school Rotterdam.

Da's andere koek! Wink
_________________

"Omdat ik alles beter weet is het mijn plicht om betweters te minachten."
Marcel Wauters, Vlaams schrijver en kunstenaar 1921-2005
Naar boven
Bekijk gebruikers profiel Stuur privé bericht
wdw



Geregistreerd op: 3-4-2013
Berichten: 16
Woonplaats: Temse

BerichtGeplaatst: 06 Mei 2013 19:14    Onderwerp: Reageer met quote

Arjen, jouw scriptie van juli 2010 gelezen en naar mijn bescheiden mening is dit een duidelijke en verhelderende uitleg over een belangrijk fenomeen. Proficiat hiervoor !
Naar boven
Bekijk gebruikers profiel Stuur privé bericht
Berichten van afgelopen:   
Plaats nieuw bericht   Plaats Reactie    Forum Eerste Wereldoorlog Forum Index -> Het Britse Leger en de Commonwealth eenheden Tijden zijn in GMT + 1 uur
Pagina 1 van 1

 
Ga naar:  
Je mag geen nieuwe onderwerpen plaatsen
Je mag geen reacties plaatsen
Je mag je berichten niet bewerken
Je mag je berichten niet verwijderen
Ja mag niet stemmen in polls


Powered by phpBB © 2001, 2002 phpBB Group